ECLI:NL:CRVB:2007:BC0296
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek terugkomen op betalingsverplichtingen WW wegens ontbreken nieuwe feiten
Werknemer heeft bij het UWV een aanvraag ingediend om betalingsverplichtingen van zijn werkgever over te nemen op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het UWV stelde de opzegtermijn bij besluit van 24 maart 2003 vast op zes weken, waartegen geen bezwaar is gemaakt. Na een uitspraak van de Raad van 27 april 2005 waarin een langere opzegtermijn werd vastgesteld, verzocht werknemer het UWV bij brief van 16 augustus 2006 om de opzegtermijn opnieuw vast te stellen.
Het UWV wees dit verzoek bij besluit van 5 december 2006 af, omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die het eerdere besluit konden wijzigen. De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van werknemer ongegrond en verwierp zijn argumenten over strijd met het gelijkheidsbeginsel, redelijkheid en billijkheid.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. Volgens artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet een nieuwe aanvraag nieuwe feiten of omstandigheden bevatten. De Raad oordeelt dat de eerdere uitspraak van de Raad zelf geen nieuw feit is en dat het UWV terecht het verzoek heeft afgewezen. Ook de aangevoerde gronden over gelijkheidsbeginsel en redelijkheid worden verworpen. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht het verzoek van werknemer heeft afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.