ECLI:NL:CRVB:2007:BC1269
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- J. Brand
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar die het beroep van betrokkene tegen de weigering van een WAO-uitkering gegrond verklaarde en het besluit vernietigde. Betrokkene werd per 1 september 2003 geen WAO-uitkering toegekend omdat zij niet in relevante mate arbeidsongeschikt werd geacht.
De rechtbank baseerde haar oordeel op het medisch onderzoek van 12 april 2004 en de daaropvolgende FML van 13 mei 2004, waarin beperkingen werden vastgesteld, maar geen medische noodzaak voor beperkingen in langdurig spreken en concentreren. De rechtbank vond echter dat functies die langdurig spreken en concentratie vereisten, niet geschikt waren voor betrokkene, waardoor het besluit vernietigd werd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de bezwaarverzekeringsarts en arbeidsdeskundige voldoende hebben gemotiveerd waarom de geselecteerde functies geschikt zijn, ondanks de minder wenselijke aspecten van langdurig spreken en concentreren, die geen medische beperkingen opleveren in de FML. De Raad vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond, waarmee de weigering van de WAO-uitkering standhoudt.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van een WAO-uitkering blijft in stand.