ECLI:NL:CRVB:2007:BC1270
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- J. Brand
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om hem per 13 februari 2004 geen WAO-uitkering toe te kennen, omdat hij niet in relevante mate arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank Groningen heeft dit beroep ongegrond verklaard, waarbij zij oordeelde dat de medische beperkingen van appellant op juiste wijze waren vastgesteld en dat het UWV voldoende had gemotiveerd waarom appellant in staat was bepaalde functies te vervullen.
In hoger beroep heeft appellant dezelfde gronden aangevoerd, met name dat zijn rechterpolsklachten meer beperkingen zouden opleveren dan het UWV aannam en dat functies waarbij de rechterpols wordt gebruikt onterecht aan hem werden toegerekend. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft echter het oordeel van de rechtbank en stelt vast dat het UWV deze functies slechts als reservefuncties heeft voorgehouden en niet als basis voor de schatting.
De Raad concludeert dat de rechtbank de argumenten van appellant afdoende heeft besproken en gemotiveerd waarom deze niet slagen. Daarom wordt de aangevallen uitspraak bevestigd en ziet de Raad geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV om appellant geen WAO-uitkering toe te kennen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.