ECLI:NL:CRVB:2007:BC1660
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke uitspraak over intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de WWB, maar het College schortte en trok deze bijstand op verschillende momenten in vanwege vermoedens van handel in goederen zonder melding daarvan, en wegens detentie van appellant. Het College baseerde zich op schending van de inlichtingenverplichting en onvolledige gegevensverstrekking.
De Raad oordeelt dat appellanten de handel en inkomsten niet volledig hebben aangetoond, mede door het ontbreken van een administratie en het bestaan van handel aan huis. Hierdoor kon het recht op bijstand over de periode van maart 2004 tot oktober 2005 niet worden vastgesteld, waardoor intrekking en terugvordering gerechtvaardigd zijn.
Voor de periode na oktober 2005 tot en met november 2005 oordeelt de Raad dat het College ten onrechte de intrekking handhaafde, omdat appellant in detentie verbleef en geen inkomsten uit handel werden aangetoond. Ook de afwijzing van een nieuwe aanvraag bij het CWI wordt vernietigd omdat deze onjuist was.
De Raad beveelt het College een nieuw besluit te nemen over het bezwaar tegen de intrekking en de aanvraag, rekening houdend met de detentieperiode en de juiste beoordeling van het recht op bijstand. Tevens wordt het College veroordeeld in de kosten van rechtsbijstand.
Uitkomst: De Raad vernietigt deels de besluiten tot intrekking en terugvordering bijstand en beveelt het College tot hernieuwde besluitvorming.