ECLI:NL:CRVB:2007:BC1807
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- K. Zeilemaker
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering nabestaandenuitkering bij gezamenlijke huishouding en beoordeling herleving
Betrokkene ontving vanaf 1994 een nabestaandenuitkering die in 1999 werd ingetrokken omdat zij een gezamenlijke huishouding voerde met haar partner. Appellant, de Sociale verzekeringsbank, vorderde de teveel betaalde uitkering terug en wees een invorderingsbesluit toe. De rechtbank had de besluiten deels vernietigd en geoordeeld dat de gezamenlijke huishouding niet continu was, met name tijdens het verblijf van de partner in de Verenigde Staten.
De Raad oordeelt dat de rechtbank buiten de grenzen van het geschil is getreden door ook perioden na de intrekking te beoordelen en dat het beleid van appellant ten aanzien van de termijn voor herleving van de uitkering onjuist is toegepast. De gezamenlijke huishouding werd terecht vastgesteld per 1 mei 1999, maar het verblijf van de partner in de VS leidde tot een verbreking van de gezamenlijke huishouding per november 2003.
De Raad vernietigt de eerdere uitspraak en de besluiten die het verzoek tot herleving afwezen vanaf november 2003. Tevens veroordeelt de Raad appellant in de proceskosten van betrokkene. De zaak benadrukt de noodzaak van correcte toepassing van wettelijke bepalingen en consistent beleid bij intrekking en herleving van nabestaandenuitkeringen.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering per 1 mei 1999 blijft in stand, maar het verzoek tot herleving vanaf november 2003 wordt toegewezen wegens verbreking van de gezamenlijke huishouding.