ECLI:NL:CRVB:2008:BC1100
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Weigering WAO-uitkering wegens ontbreken legale arbeid en verzekering
Appellant, geboren in Turkije, werkte vanaf 1990 meerdere keren in Nederland en werd in 1996 uitgezet. Na terugkeer in 1998 vroeg hij twee keer een verblijfsvergunning aan die werd geweigerd. Vanaf januari 2002 werkte hij bij een Vlaardings schildersbedrijf, maar zonder geldige tewerkstellingsvergunning. In november 2002 meldde hij zich ziek en vroeg in september 2003 een WAO-uitkering aan. De rechtbank wees zijn beroep af omdat hij niet als werknemer in de zin van de WAO kon worden aangemerkt.
In hoger beroep stelde appellant dat hij door langdurige arbeid en afgedragen premies legale arbeid had verricht en rechten kon ontlenen aan artikel 6 van Pro Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije. De Raad overwoog dat volgens de Wet arbeid vreemdelingen (WAV) arbeid zonder tewerkstellingsvergunning niet als legale arbeid geldt. Omdat appellant geen vergunning had, was zijn arbeid niet legaal en kon hij geen rechten ontlenen aan Besluit 1/80.
De Raad verwees naar jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG waaruit volgt dat legale arbeid vereist dat alle wettelijke voorschriften inzake arbeid en verblijf zijn nageleefd. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het Uwv had terecht de WAO-uitkering geweigerd. De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering omdat appellant geen legale arbeid verrichtte en niet verzekerd was.