ECLI:NL:CRVB:2008:BC1834
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid niet gerechtvaardigd
Appellant was sinds 1981 in dienst bij zijn werkgever en werkte als medewerker facilitaire dienst. Na een periode van slecht functioneren en een coachingsperiode werd hij op non-actief gesteld en ontbonden met een vergoeding. Het UWV weigerde zijn WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant onvoldoende verbetering toonde en de beëindiging van zijn dienstbetrekking voorzienbaar was.
In hoger beroep erkende appellant zijn slechte functioneren tot begin 2004, maar stelde dat zijn functioneren daarna verbeterde en dat hij geen signalen ontving dat dit weer verslechterde. De Raad stelde vast dat klachten over zijn functioneren vaak niet concreet, niet tijdig of niet met hem besproken waren en dat stukken vaak pas in de ontbindingsprocedure waren opgesteld. Hierdoor kon appellant niet redelijkerwijs begrijpen dat zijn gedrag tot ontslag zou leiden.
De Raad oordeelde dat er geen sprake was van verwijtbare werkloosheid en dat het UWV ten onrechte artikel 27 WW Pro had toegepast. Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank werden vernietigd. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten en moest het betaalde griffierecht aan appellant vergoeden.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid wordt vernietigd en het UWV moet opnieuw beslissen.