ECLI:NL:CRVB:2008:BC1946
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering AAW-uitkering wegens bestaande gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid bij aanvang verzekering
Appellante vordert een AAW-uitkering met ingang van 8 juni 1996 en stelt dat haar medische beperkingen door het Uwv zijn onderschat. Het Uwv heeft aanvankelijk geweigerd een AAW-uitkering toe te kennen op grond van verschillende artikelen van de AAW en WAO. De Raad vernietigde eerdere besluiten deels en bepaalde dat het Uwv opnieuw moest beslissen over de aanspraak op de AAW-uitkering.
In het bestreden besluit handhaaft het Uwv de weigering van de AAW-uitkering primair op grond van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW, dat het mogelijk maakt arbeidsongeschiktheid die bestond bij aanvang van de inkomensverwerving buiten aanmerking te laten. De Raad overweegt dat appellante op 1 september 1994, het moment van inkomensverwerving, reeds gedeeltelijk arbeidsongeschikt was en dat er tot 8 juni 1996 geen relevante toename van haar arbeidsongeschiktheid heeft plaatsgevonden.
De Raad oordeelt dat de weigering van de AAW-uitkering terecht is gebaseerd op artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW en bevestigt daarmee de aangevallen uitspraak van de rechtbank. De eerdere overwegingen omtrent artikel 5, tweede lid, van de AAW zijn niet van toepassing omdat dit artikel niet de juiste grondslag biedt voor de weigering in deze zaak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de AAW-uitkering aan appellante wegens bestaande gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering.