ECLI:NL:CRVB:2008:BC1979
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- K. Zeilemaker
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Beperking intrekking bijstandsuitkering wegens overschrijding vermogensgrens en vertragingsschade
Appellant ontving bijstand sinds 15 juli 2003. Het College stelde na gegevens van de Belastingdienst vast dat appellant beschikte over niet opgegeven bankrekeningen met een totaaltegoed van ruim €36.000. Hierdoor werd de bijstand ingetrokken over de periode van 15 juli 2003 tot en met 21 december 2004. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond wegens een deels onjuiste wettelijke grondslag, maar liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de tegoeden feitelijk toekwamen aan zijn zuster, die de rekeningen om fiscale redenen op zijn naam had gezet. De Raad oordeelde echter dat appellant tot de datum waarop de rekeningen op zijn naam stonden, feitelijk over de gelden kon beschikken en dat het College daarom terecht de intrekking toepaste over die periode. De intrekking werd dan ook beperkt tot 15 juli 2003 tot en met 13 december 2004.
Verder stelde de Raad vast dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden door het niet melden van de banktegoeden. Het College was bevoegd tot terugvordering van de gemaakte kosten bijstand. De Raad veroordeelde de gemeente tot vergoeding van vertragingsschade over de periode vanaf 14 december 2004, omdat de bijstand toen ten onrechte niet werd betaald.
Tot slot werd het College veroordeeld in de proceskosten van appellant en werd bepaald dat het betaalde griffierecht werd vergoed.
Uitkomst: Intrekking bijstand beperkt tot periode waarin appellant over bankrekeningen kon beschikken; gemeente veroordeeld tot vergoeding vertragingsschade.