ECLI:NL:CRVB:2008:BC2438
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- K. Zeilemaker
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding zonder hulpbehoevende verzorging
Appellante ontving sinds 1 januari 2001 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde een onderzoek in nadat bleek dat een persoon, [L.], op het adres van appellante stond ingeschreven. Uit het onderzoek, inclusief een huisbezoek en een door appellante ondertekende checklist, concludeerde de Svb dat appellante vanaf 1 oktober 2003 een gezamenlijke huishouding voert met [L.].
De Svb trok de uitkering met ingang van die datum in en vorderde ten onrechte ontvangen bedragen terug, vermeerderd met een boete. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, waarna appellante in hoger beroep ging en stelde dat er geen sprake was van een gezamenlijke huishouding maar van een zakelijke kostgangersrelatie.
De Raad oordeelt dat aan het criterium van gezamenlijke huishouding is voldaan, mede gezien de financiële verstrengeling en het gebruik van de woning door [L.]. Er is onvoldoende bewijs voor een zakelijke kostgangersrelatie of dat de gezamenlijke huishouding plaatsvindt ten behoeve van verzorging van een hulpbehoevende. De Raad ziet geen dringende redenen om af te zien van intrekking, terugvordering of boete en bevestigt de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering, terugvordering en boete worden bevestigd wegens gezamenlijke huishouding zonder hulpbehoevende verzorging.