ECLI:NL:CRVB:2008:BC3276
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na nietige proeftijd
Appellant trad op 1 november 2002 in dienst bij zijn werkgever met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van twaalf maanden en een mondeling verlengde proeftijd van drie maanden. De werkgever beëindigde de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2003. Appellant vroeg vervolgens een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd omdat de proeftijd nietig was en appellant verwijtbaar werkloos was geworden door niet te protesteren tegen zijn ontslag.
De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV wegens onvoldoende motivering, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat appellant door zijn berusting het Algemeen Werkloosheidsfonds had benadeeld. In hoger beroep betoogde appellant dat het UWV hem onvoldoende had geïnformeerd over zijn arbeidsrechtelijke positie en dat hij daardoor geen rechtsmaatregelen kon nemen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht de WW-uitkering heeft geweigerd omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden door berusting in het ontslag tijdens een nietige proeftijd. Het UWV heeft geen informatieplicht over de arbeidsrechtelijke positie van appellant en het risico van het niet tijdig ondernemen van rechtsmaatregelen ligt bij appellant. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na berusting in ontslag tijdens een nietige proeftijd.