ECLI:NL:CRVB:2008:BC4495
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening WW-uitkering wegens pensioeninkomsten en mededelingsverplichting
Appellant, die vanaf juni 1993 tot november 2000 een WW-uitkering ontving, werd geconfronteerd met een herziening van zijn uitkering omdat hij vanaf november 1995 pensioeninkomsten ontving die niet waren gemeld. Het UWV stelde vast dat appellant door het niet melden van deze inkomsten een te hoge WW-uitkering had ontvangen en vorderde een bedrag terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd overwogen dat pensioeninkomsten als loonvervangende uitkering moeten worden verrekend met de WW-uitkering.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij een deel van zijn pensioen aan zijn ex-echtgenote doorbetaalde en dat hij de werkbriefjes op instructie van zijn werkgever had ingevuld. De Raad overwoog dat pensioeninkomsten, ook als een deel aan de ex-echtgenote wordt doorbetaald, volledig in mindering moeten worden gebracht. Tevens werd vastgesteld dat de mededelingsverplichting bij het UWV ligt en dat appellant zelf verantwoordelijk is voor juiste invulling van de werkbriefjes.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht de WW-uitkering heeft herzien en dat er geen reden is om van deze herziening af te zien. Het beroep van appellant werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De herziening van de WW-uitkering wegens niet-gemelde pensioeninkomsten wordt bevestigd en het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.