ECLI:NL:CRVB:2008:BC4502
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling loonsanctie en WAO-uitkering bij re-integratieverplichtingen werkgever
Appellant, werkzaam als programmeur, viel in november 2002 uit en kreeg op 9 december 2003 een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidsgraad van 25 tot 35%. Hij stelde bezwaar tegen de toekenning, primair omdat het UWV de werkgever geen loonsanctie had opgelegd wegens vermeende onvoldoende re-integratie-inspanningen. Subsidiair betwistte hij de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid.
Het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde dat de beoordeling van een loonsanctie losstaat van de WAO-uitkeringsaanvraag en in een afzonderlijk besluit wordt genomen. De rechtbank oordeelde dat de werkgever voldoende re-integratie-inspanningen had verricht en vernietigde het besluit omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid vanwege onvoldoende onderbouwing van de geschiktheid van functies.
In hoger beroep richtte appellant zich uitsluitend op het niet opleggen van een loonsanctie. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dat de WAO-aanvraag niet tevens een aanvraag voor een loonsanctie is en dat de beoordeling van re-integratieverplichtingen en het opleggen van een loonsanctie in een apart besluit plaatsvinden. Het beroep tegen het besluit van 13 juli 2005 werd ongegrond verklaard. Tevens werd bepaald dat het bezwaar tegen het niet opleggen van een loonsanctie als een afzonderlijke aanvraag moet worden behandeld door het UWV.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de WAO-aanvraag terecht heeft behandeld zonder oplegging van een loonsanctie aan de werkgever.