ECLI:NL:CRVB:2008:BC4524
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- M.C. Bruning
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Ontslag wegens ongeschiktheid voor functie hoofdassistent apotheek ondanks medische hersteldverklaring
Appellante was sinds 1981 werkzaam bij het AMC als chef apothekersassistent A. Na klachten over haar functioneren en het in stand houden van een gesloten cultuur, kreeg zij op 28 mei 2002 een brief met maatregelen en een inspannings- en resultaatsverplichting. Op 31 mei 2002 meldde zij zich ziek. Diverse gesprekken en pogingen tot werkhervatting volgden, waarbij zij deels arbeidstherapeutisch werkte en later volledig hersteld werd verklaard door de bedrijfsarts.
Ondanks deze medische verklaring bleef appellante zich ziek melden voor uren die zij niet wilde werken, en leverde zij volgens het bestuur onvoldoende medewerking aan het re-integratie- en herplaatsingstraject. Het bestuur stelde vast dat zij de vereiste eigenschappen, mentaliteit en instelling ontbeerde om haar functie goed te vervullen, en gaf aan dat passende functies binnen het AMC niet beschikbaar waren of niet door haar werden geaccepteerd.
Het bestuur besloot tot ontslag wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziekte, en hield een derde van haar salaris in vanwege niet gewerkte uren. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel, oordeelde dat het bestuur voldoende concrete gedragingen had aangetoond die ongeschiktheid bewezen, dat het bestuur voldoende herplaatsingsinspanningen had verricht, en dat de inhouding van salaris gerechtvaardigd was. De Raad wees ook het beroep op onrechtmatigheid van het bestuur af en bevestigde dat het bestuur in redelijkheid tot ontslag en inhouding had kunnen besluiten.
Uitkomst: Het ontslag wegens ongeschiktheid en de inhouding van een derde deel van het salaris worden bevestigd.