ECLI:NL:CRVB:2008:BC4934
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over WAO-uitkering en schending redelijke termijn
Betrokkene was administratief medewerkster en meldde zich in februari 2001 ziek. Appellant weigerde aanvankelijk een WAO-uitkering vanaf februari 2002, omdat betrokkene geschikt werd geacht voor haar werk. Na bezwaar en deskundigenonderzoeken werd vastgesteld dat betrokkene wel volledig arbeidsongeschikt was, waarna appellant een nieuw besluit nam waarin de WAO-uitkering werd toegekend met terugwerkende kracht.
De rechtbank had het eerste besluit vernietigd vanwege onvoldoende zorgvuldige voorbereiding, met name door het niet meenemen van een internistenrapport. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, maar de Raad verklaarde dit niet-ontvankelijk omdat het nieuwe besluit de grondslag van het hoger beroep wegneemt.
Betrokkene vorderde daarnaast vergoeding van proceskosten en wettelijke rente, deels toegezegd door appellant. De Raad constateerde een overschrijding van de redelijke termijn in de procedure, mede veroorzaakt door het rechterlijk aandeel, maar zag geen aanleiding tot veroordeling in proceskosten of immateriële schadevergoeding.
De Raad oordeelde dat het beroep van betrokkene, mede gericht tegen het nieuwe besluit, ongegrond is en sprak de beslissing uit in januari 2008.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van betrokkene ongegrond.