ECLI:NL:CRVB:2008:BC5010
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- A. Beuker-Tilstra
- H.R. Geerling-Brouwer
- C.G. Kasdorp
- Rechtspraak.nl
Erkenning seksuele intimidatie als oorlogsgeweld onder Wet burger-oorlogsslachtoffers
Appellante, geboren in 1930 in voormalig Nederlands-Indië, vroeg erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, vanwege bombardementen, evacuatie, mishandeling en een aanranding door een Japanse soldaat. De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af, stellende dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor erkenning, met name dat de aanranding niet als oorlogsgeweld kon worden gekwalificeerd.
De Raad stelde vast dat de feitelijke gang van zaken niet ter discussie stond en dat de handelingen plaatsvonden binnen het kader van de bezettende macht. De Raad volgde het standpunt van de Raadskamer niet dat de aanranding slechts intimiderend was. Eerdere jurisprudentie bevestigt dat seksuele intimidatie door bezettende macht als calamiteit valt onder de Wet. De Raad oordeelde dat de aanranding een dergelijke handeling was en vernietigde het bestreden besluit wegens onvoldoende motivering.
De Raad veroordeelde de Pensioen- en Uitkeringsraad tot vergoeding van proceskosten en bepaalde dat een nieuw besluit moet worden genomen met inachtneming van de uitspraak.
Uitkomst: Het besluit wordt vernietigd en seksuele intimidatie door Japanse soldaat wordt erkend als oorlogsgeweld onder de Wet.