ECLI:NL:CRVB:2008:BC5131
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.J.A. Kooijman
- L.H. Waller
- Rechtspraak.nl
Verrekening WW-uitkering met bijstandsuitkering en terugvordering kosten bijstand
Appellant vroeg op 20 april 2004 algemene bijstand aan. Het College kende bijstand toe vanaf die datum, maar legde een maatregel op wegens verwijtbare werkloosheid. Het UWV kende later een WW-uitkering toe vanaf 19 april 2004, waarvan een deel werd verrekend met de bijstand.
Het College vorderde vervolgens kosten van bijstand terug over twee periodes, omdat appellant WW-uitkering ontving en later weer ging werken. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond, maar handhaafde de rechtsgevolgen.
De Centrale Raad oordeelt dat de gebruikte wettelijke grondslagen voor terugvordering niet juist zijn toegepast. Er was geen sprake van naderhand verkregen middelen in de zin van de WWB omdat de WW-uitkering al was toegekend vóór de bijstand. Ook ontbrak voldoende bewijs voor terugvordering over de tweede periode.
De Raad beveelt het College een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van de uitspraak en de beleidsregels. Tevens veroordeelt de Raad het College tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en het College wordt opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.