ECLI:NL:CRVB:2008:BC5404
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Beoordeling loonsanctie bij toekenning WAO-uitkering en re-integratieverplichtingen werkgever
Appellant, werkzaam als autoverkoper, meldde zich ziek en kreeg een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Hij stelde dat het UWV ten onrechte geen loonsanctie aan de werkgever had opgelegd wegens onvoldoende re-integratieverplichtingen. De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV en oordeelde dat een loonsanctie passend was.
In hoger beroep stelde appellant dat de situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden (GDBM) veroorzaakt was door de werkgever, waardoor een loonsanctie op zijn plaats zou zijn. De Raad overwoog dat het besluit tot toekenning van de WAO-uitkering geen oordeel omvat over de re-integratieverplichtingen van de werkgever en dat een apart besluit nodig is voor een loonsanctie. Omdat appellant in bezwaar pas een loonsanctie verzocht, was er geen primair besluit over de loonsanctie genomen.
De Raad concludeerde dat de rechtbank ten onrechte het beroep gegrond had verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Het beroep werd ongegrond verklaard. Het UWV moet op een afzonderlijk verzoek om loonsanctie een besluit nemen, waartegen bezwaar en beroep openstaan. De weigering om op het verzoek te beslissen wordt gelijkgesteld met een primair besluit waartegen geen rechtstreeks beroep mogelijk is.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.