ECLI:NL:CRVB:2008:BC5716
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbaar werkloos worden na ontslag op staande voet
Appellant was sinds 1980 werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en werd op staande voet ontslagen wegens verdenking van het openen van poststukken die op naam stonden van anderen. Een onderzoek met technische hulpmiddelen en getuigen leidde tot een rapport dat deze verdenking ondersteunde. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag gerechtvaardigd was en wees de loonvordering af.
Het Uwv weigerde de WW-uitkering omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en stelde dat appellant onvoldoende gemotiveerd had betwist dat hij zich verwijtbaar had gedragen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat er geen wettig en overtuigend bewijs was en dat hij onterecht werd beschuldigd.
De Raad overwoog dat het gedrag van appellant in strijd was met de werkinstructies en dat hij redelijkerwijs had moeten begrijpen dat dit tot ontslag zou leiden. De ontkenning van appellant was onvoldoende om het oordeel te weerleggen. De Raad bevestigde daarom de weigering van de WW-uitkering en zag geen reden om proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt geweigerd omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden door het openen van poststukken, wat het ontslag op staande voet rechtvaardigde.