Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2008:BC6128

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4869 ZFW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep en proceskostenvergoeding na vergoeding knieoperatie

Appellant had in verband met knieklachten een totale knieprothese voorgesteld gekregen en verzocht VGZ om toestemming voor de operatie. VGZ wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel. Appellant ging in hoger beroep.

Tijdens de procedure bleek dat VGZ het merendeel van de operatiewerkzaamheden al had vergoed uit coulance, waardoor het procesbelang van appellant verviel. De Raad verklaarde het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk.

Appellant vorderde daarnaast vergoeding van kosten voor juridische rechtsbijstand. VGZ stelde dat deze kosten niet vergoed behoefden te worden omdat de operatiekosten uit coulance waren betaald. De Raad oordeelde dat coulance in beginsel geen bijzondere omstandigheid is om af te zien van een proceskostenveroordeling. Gezien de onduidelijke juridische situatie die door VGZ was veroorzaakt, veroordeelde de Raad VGZ tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.

De Raad stelde de proceskostenvergoeding vast op €633 voor beroep en €483 voor hoger beroep, en bepaalde dat VGZ het betaalde griffierecht van €142 aan appellant moest vergoeden.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 5 maart 2008.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en VGZ wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.

Uitspraak

06/4869 ZFW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], (hierna: appellant), wettelijk vertegenwoordigd door zijn curator [naam curator],
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 juli 2006, 05/5061 (hierna: aangevallen uitspraak)
in het geding tussen
appellant
en
VGZ Zorgverzekeraar N.V., als rechtsopvolger van de Stichting Ziekenfonds VGZ, gevestigd te Eindhoven, (hierna: VGZ)
Datum uitspraak: 5 maart 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.R.B. Gorsira, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
VGZ heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens hebben partijen gereageerd op vragen van de Raad.
Zowel VGZ als appellant hebben nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2008. Appellant heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen. VGZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H.M. van Rijn-Fehrenbach, juridisch medewerker, en
drs. C.J. Itz, medisch adviseur, beiden werkzaam bij VGZ.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft zich in verband met jarenlang bestaande knieklachten in april 2005 voor een second opinion gewend tot dr. L. van Loon, verbonden aan AZ Klina (chirurgie-orthopedie-traumatologie) te Brasschaat (Belgi?). Dr. Van Loon heeft een totale knie-prothese voorgesteld. Bij brief van 20 april 2005 heeft appellant verzocht om toestemming voor deze operatie. Op 10 mei 2005 is appellant door dr. Van Loon geopereerd.
1.2. VGZ heeft deze aanvraag bij besluit van 13 mei 2005 afgewezen. Het bezwaar tegen dit besluit heeft VGZ bij besluit van 5 december 2005 ongegrond verklaard.
1.3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 5 december 2005 in de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
1.4. Appellant is gemotiveerd van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
1.5. Naar aanleiding van vragen van de Raad hebben partijen aangegeven dat de kosten van de operatie € 9.831,40 bedroegen, waarvan € 9.461,40 door VGZ aan appellant is vergoed. VGZ heeft toegezegd het resterende deel van € 370,-- zo spoedig mogelijk aan aan appellant te zullen betalen.
1.6. Appellant heeft aangegeven dat hij tevens vergoeding wenst van de door hem gemaakte kosten voor juridische rechtsbijstand.
1.7. VGZ heeft aangevoerd dat de kosten in verband met juridische bijstand niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat zij de kosten van de operatie op grond van coulance heeft vergoed. Achtergrond hiervan is het feit dat VGZ hangende de bezwaarprocedure per abuis het merendeel van de kosten van de operatie heeft vergoed, en dat zij heeft besloten van terugvordering af te zien.
1.6. De Raad stelt vast dat nu de knie-operatie volledig is vergoed door VGZ, appellant geen (proces) belang (meer) heeft bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak. Derhalve dient het hoger beroep wegens vervallen procesbelang niet-ontvankelijk te worden verklaard.
1.7. Over de door appellant gevorderde kosten voor verleende rechtsbijstand overweegt de Raad dat hij in het algemeen aanleiding ziet om een bestuursorgaan te veroordelen in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op grond van het enkele feit dat het bestuursorgaan aan de betrokkene tegemoet is gekomen. Evenals bij de toepassing van artikel 8:75a van de Awb (zie hiervoor de uitspraak van de Raad van 16 mei 2006, LJN: AX6776) kan op dit uitgangspunt slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere amstandigheden. Het onverplicht en bij wege van coulance tegemoetkomen, levert in beginsel een dergelijke omstandigheid niet op. In hetgeen VGZ heeft aangevoerd, heeft de Raad geen grond gevonden om in het voorliggende geval tot een ander oordeel te komen. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat appellant pas in hoger beroep duidelijkheid heeft verkregen over de onduidelijke juridische situatie die was ontstaan door het handelen van VGZ.
1.8. De Raad veroordeelt VGZ tot vergoeding in de proceskosten van appellant. De kosten voor verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep worden met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld op € 633,-- in beroep en € 483,-- in hoger beroep. De Raad ziet geen aanleiding voor de door appellant gevorderde integrale kostenveroordeling en verwijst hiervoor naar zijn uitspraak van 29 augustus 2005, LJN AU4018. Daarin is overwogen dat de rechter slechts in uitzonderlijke gevallen de volgens het Bpb berekende vergoeding kan verhogen of verlagen. Daarvan is de Raad in dit geval niet gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt VGZ in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.116,--;
Bepaalt dat VGZ aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2008.
(get.) R.M. van Male.
(get.) R.L. Rijnen.
AR030308