ECLI:NL:CRVB:2008:BC7017

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1524 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArtikel 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking WAO-uitkering wegens vermeende arbeidsongeschiktheid en werkzaamheden

Appellant, werkzaam als media-adviseur, ontving sinds 1990 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na een rapport van de Opsporingsdienst waarin werd geconcludeerd dat appellant mogelijk werkzaamheden verrichtte tijdens de uitkeringsperiode, trok het UWV de uitkering per 6 juni 1994 in. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond.

In hoger beroep voerde appellant aan dat hij geen zelfstandige ondernemer was, maar alleen financier, en dat hij door persoonlijke omstandigheden en een alcoholprobleem niet in staat was te werken. De Raad overwoog dat hoewel appellant mogelijk werkzaamheden verrichtte, dit onvoldoende is om te concluderen dat hij medisch en arbeidskundig geschikt was voor zijn eigen werk of andere functies.

De Raad baseerde zich op medische rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, waaronder een rapport van psychiater Mostert die concludeerde dat appellant niet belastbaar was met arbeid. De conclusie van de arbeidsdeskundige uit 2004 dat appellant geschikt zou zijn voor zijn eigen werk werd niet gevolgd vanwege het ontbreken van onderbouwing en tegenstrijdigheden met eerdere rapporten.

De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen rekening houdend met de bevindingen van de Raad. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering en beveelt het UWV een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

06/1524 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 januari 2006, 05/2035 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 14 maart 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.S. Visser, advocaat te Stadskanaal, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2008. Appellant is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Visser.
Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
Appellant is werkzaam geweest als media-adviseur. Vanuit een werkloosheidssituatie heeft hij zich in 1989 ziek gemeld. Per 14 maart 1990 is hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
Appellant is op 7 februari 1992 onderzocht door de verzekeringsarts F.G.J. Lankhof. Deze heeft hem in staat geacht passende werkzaamheden te verrichten en op 9 februari 1992 een scoreformulier FIS ingevuld. Hij heeft appellant onder andere beperkt geacht voor bepaalde psychisch belastende factoren (tijdsdruk, tempodruk). De arbeidsdeskundige komt in zijn rapport van 13 december 1992 tot de conclusie dat appellant, gelet op de door de verzekeringsarts aangegeven beperkingen, niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, maar wel in staat is andere functies te verrichten. Hij merkt voorts op dat voor de functie van media-adviseur tegenwoordig een HBO-opleiding vereist is. Naar aanleiding van deze conclusies is de uitkering van appellant per
1 augustus 1993 ingetrokken. Tijdens de daarop gevolgde procedure heeft de rechtbank psychiater E. Mostert ingeschakeld om als deskundige van verslag en advies te dienen. Mostert komt in zijn rapport van 10 november 1994 tot de conclusie dat appellant op psychische gronden niet belastbaar was met arbeid. Appellant is vervolgens met terugwerkende kracht doorlopend volledig arbeidsongeschikt geacht.
Naar aanleiding van een door de Belastingdienst aan de Opsporingsdienst van GAK Nederland gedane melding, dat appellant tijdens het ontvangen van een WAO-uitkering eigenaar zou zijn geworden van onroerend goed, is op 22 februari 2002 een rapport werknemersfraude opgemaakt. Daarin is geconcludeerd dat appellant in de periode van 14 maart 1990 tot en met 30 november 2001 werkzaamheden heeft verricht en/ of inkomsten genoten, welke niet (volledig) zijn gemeld. Hierdoor is het Uwv benadeeld.
Op 11 juni 2002 is appellant gezien door verzekeringsarts i.o. V. Steenmeijer. Deze concludeert dat de belastbaarheid van appellant sedert 1992 in essentie ongewijzigd is gebleven. Aan de beperkingen met betrekking tot hoge tijdsdruk en hoog werktempo voegt hij nog toe dat appellant ook niet geschikt lijkt voor functies met direct klantencontact dan wel publiekscontact. De stafverzekeringsarts J.A.W. Dekker geeft in haar rapport van 26 oktober 2004 aan dat deze laatste beperking in tegenspraak lijkt met de daadwerkelijk door appellant verrichte werkzaamheden. De bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn sluit zich daar bij aan.
De arbeidsdeskundige komt in zijn rapport van 9 november 2004 tot de conclusie dat appellant per 6 juni 1994 geschikt is voor zijn eigen werk.
Bij besluit van 11 november 2004 is de WAO-uitkering van appellant met ingang van 6 juni 1994 ingetrokken omdat appellant geschikt wordt geacht voor zowel zijn eigen werk als voor andere passende werkzaamheden.
Bij besluit van 2 maart 2005 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen dat besluit ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat in het licht van de in het rapport werknemersfraude van 22 februari 2002 neergelegde bevindingen niet anders kan worden geconcludeerd dan dat appellant op 6 juni 1994 tot aanzienlijke werkzaamheden in staat was. De rechtbank is voorts van oordeel dat de conclusie in het rapport van Mostert van 10 november 1994 in een dermate scherp contrast staat met de destijds door appellant verrichte werkzaamheden dat de gevolgtrekking gerechtvaardigd is dat deze conclusie anders zou hebben geluid wanneer Mostert van deze werkzaamheden op de hoogte zou zijn geweest. Het Uwv is dan ook op goede gronden tot de conclusie gekomen dat appellant op 6 juni 1994 tot het verrichten van zijn eigen werk als media-adviseur in staat moest worden geacht.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij geen zelfstandige ondernemer is. Hij was uitsluitend financier. Alle beheersactiviteiten waren uitbesteed. Ter zitting bij de Raad heeft appellant daar aan toegevoegd dat het overlijden van twee broers hem erg had aangegrepen en dat hij mede daardoor de controle over zijn leven was kwijtgeraakt. Vanwege het alcoholprobleem was hij niet in staat om te werken. Hij heeft voorts aangegeven dat hij door de hypotheeknemer(s) verplicht is een beheerder aan te stellen omdat anders de financiering zou worden stopgezet. Appellant heeft tenslotte gesteld dat de lange duur van de procedure strijdig is met artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM).
De Raad overweegt als volgt.
Geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt in de zin van de WAO is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
Hieruit volgt dat bij de beantwoording van de vraag of iemand arbeidsongeschikt is in de zin van deze wet twee aspecten van belang zijn namelijk:
of de betrokkene bedoelde medische beperkingen heeft;
of en in hoeverre hij met die beperkingen in staat is zijn eigen werk dan wel andere arbeid te verrichten.
Op grond van de beschikbare medische en arbeidskundige informatie komt de Raad tot de conclusie dat appellant op de datum in geding, 6 juni 1994, niet in staat was zijn eigen werk als media-adviseur te verrichten. In dit verband wijst de Raad allereerst op het rapport van Mostert, die enige maanden na de datum in geding concludeert dat appellant niet belastbaar is met arbeid. Op basis van dit rapport heeft het Uwv de uitkering van appellant per 1 augustus 1993 ongewijzigd voortgezet. De Raad wijst voorts op de rapporten van de verzekeringsarts van 7 februari 1992 en van de arbeidsdeskundige van 13 december 1992. Daaruit volgt dat appellant, gelet op zijn beperkingen, niet in staat was zijn eigen werk te verrichten. Bovendien blijkt daaruit dat het eigen werk voor appellant niet meer bereikbaar is vanwege de inmiddels voor dat werk vereiste HBO-opleiding. De door de arbeidsdeskundige in zijn rapportage van 9 november 2004 getrokken conclusie dat appellant, ondanks het bestaan van dezelfde beperkingen als in 1993 en ondanks het ontbreken van kwalificaties voor dat werk, in staat moet worden geacht zijn eigen werk te verrichten, houdt dan ook geen stand.
Met betrekking tot het subsidiaire standpunt van het Uwv dat appellant in staat is de geduide functies van leidinggevende orderverwerking, media adviseur personeelsadvertenties, contactpersoon grotere opdrachtgevers, chef advertentie servicegroep en leidinggevende telefonische verkoop te verrichten overweegt de Raad dat dit standpunt evenmin houdbaar is reeds omdat dit standpunt niet middels functiebeschrijvingen, functiebelasting en functie eisen is onderbouwd.
De in het frauderapport opgetekende bevindingen doen aan het vorenstaande niet af. Daargelaten of uit dat rapport, bezien in samenhang met de overige gedingstukken, voldoende blijkt dat appellant op de datum in geding in betekenende mate arbeid heeft verricht overweegt de Raad dat daarin in elk geval geen aanwijzingen zijn te vinden voor het oordeel dat appellant zowel op medische als op arbeidskundige gronden geschikt is voor zijn eigen werk dan wel voor de geduide functies. Dat appellant, zoals de rechtbank overweegt, tot aanzienlijke werkzaamheden in staat was, is daartoe onvoldoende.
Het hoger beroep treft dus doel.
De aangevallen uitspraak alsmede het bestreden besluit dat bij die uitspraak in stand is gelaten dienen te worden vernietigd. Het Uwv zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
Appellant heeft geen belang bij een beoordeling van de stelling dat de lange duur van de procedure strijdig is met artikel 6 van Pro het EVRM. Appellant verlangt immers uitdrukkelijk geen schadevergoeding, maar (enkel) vermindering van het door hem terug te betalen bedrag. Het onderhavige geschil ziet echter niet op de terugvordering, die overigens voor het overgrote deel van het tijdvak, anders dan appellant blijkbaar meent, een verplicht en geen discretionair karakter zou dragen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,= voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 2,76 aan reiskosten in beroep en op € 644,= voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 18,64 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 1.309,40.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant van in totaal € 1.309,40 te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 142,= vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2008.
(get.) R.C. Stam.
(get.) W.R. de Vries.
TM