ECLI:NL:CRVB:2008:BC7017
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering wegens vermeende arbeidsongeschiktheid en werkzaamheden
Appellant, werkzaam als media-adviseur, ontving sinds 1990 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na een rapport van de Opsporingsdienst waarin werd geconcludeerd dat appellant mogelijk werkzaamheden verrichtte tijdens de uitkeringsperiode, trok het UWV de uitkering per 6 juni 1994 in. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij geen zelfstandige ondernemer was, maar alleen financier, en dat hij door persoonlijke omstandigheden en een alcoholprobleem niet in staat was te werken. De Raad overwoog dat hoewel appellant mogelijk werkzaamheden verrichtte, dit onvoldoende is om te concluderen dat hij medisch en arbeidskundig geschikt was voor zijn eigen werk of andere functies.
De Raad baseerde zich op medische rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, waaronder een rapport van psychiater Mostert die concludeerde dat appellant niet belastbaar was met arbeid. De conclusie van de arbeidsdeskundige uit 2004 dat appellant geschikt zou zijn voor zijn eigen werk werd niet gevolgd vanwege het ontbreken van onderbouwing en tegenstrijdigheden met eerdere rapporten.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen rekening houdend met de bevindingen van de Raad. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering en beveelt het UWV een nieuw besluit te nemen.