ECLI:NL:CRVB:2008:BC7175
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstandsuitkering bij ontbindingsvergoeding
Appellant en zijn partner ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na ontbinding van de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 februari 2005 ontving appellant een bruto ontbindingsvergoeding van € 7.414,29. Hiervan werd € 4.286,94 op 25 februari 2005 uitgekeerd. Het College van burgemeester en wethouders van Eindhoven vorderde terugbetaling van bijstand over de periode van 10 september 2004 tot en met 31 januari 2005, omdat zij de ontbindingsvergoeding als salaris over die periode beschouwde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders. De Raad stelde dat de ontbindingsvergoeding bedoeld is om te voorzien in noodzakelijke kosten van het bestaan ná ontbinding van de arbeidsovereenkomst, tenzij ondubbelzinnig anders blijkt. De omstandigheden boden onvoldoende bewijs dat de vergoeding bestemd was voor de periode vóór 1 februari 2005. Daarom mocht het College de bijstand over die periode niet terugvorderen.
De Raad vernietigde het eerdere besluit en bepaalde dat het College een nieuw besluit moet nemen, waarbij de ontbindingsvergoeding wordt toegerekend aan de periode vanaf 1 februari 2005. Tevens werd het College veroordeeld in de proceskosten en werd appellant het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot terugvordering van bijstand wordt vernietigd.