ECLI:NL:CRVB:2008:BC7191
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- K. Zeilemaker
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheidsgebrek en in stand laten rechtsgevolgen bij bijstandsaanvraag
Appellante diende op 9 mei 2003 een aanvraag om bijstand in, maar leverde niet tijdig de gevraagde aanvullende stukken aan, waardoor het College op 23 juni 2003 besloot de aanvraag niet te behandelen. Een later verzoek om bijstand met terugwerkende kracht werd door het Algemeen Bestuur afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak vanwege een bevoegdheidsgebrek.
De Raad stelt vast dat ten tijde van de besluiten het College bevoegd was omdat de gemeenschappelijke regeling waar het openbaar lichaam Pentasz deel van uitmaakt pas per 1 januari 2004 van kracht werd, terwijl de besluiten dateren van voor die datum. Het achteraf toetreden van de gemeenten aan de regeling herstelt dit gebrek niet. Hoewel het besluit wordt vernietigd, laat de Raad de rechtsgevolgen van het besluit in stand omwille van een definitieve geschilbeslechting.
Appellante voerde aan dat haar slechte gezondheid haar verhinderde tijdig te reageren, maar dit wordt niet als nieuw feit of veranderde omstandigheid beschouwd. Het College had het verzoek om terug te komen van het eerdere besluit terecht afgewezen. De Raad veroordeelt het Algemeen Bestuur tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit van 3 november 2005 wordt vernietigd wegens bevoegdheidsgebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en het Algemeen Bestuur wordt veroordeeld in de proceskosten.