Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7756

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/2887 WAO, 07/6327 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen herziening WAO-uitkering na nieuw besluit op bezwaar

Appellante maakte bezwaar tegen een herziening van haar WAO-uitkering waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid was verlaagd van 80-100% naar 25-35%. De rechtbank Amsterdam vernietigde het bestreden besluit en onderschreef de medische grondslag, maar vond de toelichting op de arbeidskundige component onvoldoende.

Het UWV nam vervolgens een nieuw besluit op bezwaar waarin het bezwaar van appellante opnieuw ongegrond werd verklaard. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat dit nieuwe besluit het eerdere bestreden besluit volledig verving, waardoor appellante geen belang meer had bij het hoger beroep tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank.

De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek van het UWV voldoende zorgvuldig was en dat de arbeidskundige toelichting in het rapport van september 2006 adequaat was. Er waren geen gronden voor het inschakelen van een medisch deskundige. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond.

De uitspraak bevestigt dat een nieuw besluit op bezwaar het eerdere besluit vervangt en dat hoger beroep tegen het eerdere besluit dan niet-ontvankelijk wordt verklaard. Tevens wordt benadrukt dat de Raad geen aanleiding zag voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het nieuwe besluit op bezwaar wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

06/2887 WAO, 07/6327 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 april 2006, 04/4811 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 maart 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.A.H. Blom, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en de Raad nadien een nieuw besluit op bezwaar van 28 september 2006 doen toekomen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2008. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Blom. Het Uwv is verschenen bij gemachtigde
drs. F.A. Steeman.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 29 december 2003 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 20 februari 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Bij besluit van 13 september 2004, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 december 2003 ongegrond verklaard.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.
De rechtbank heeft daarbij de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven en geen aanleiding gezien om een (medisch) deskundige in te schakelen. Wat betreft de arbeidskundige kant van de schatting heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv ten aanzien van een aantal signaleringen bij de aan de schatting ten grondslag gelegde functies onvoldoende heeft toegelicht waarom de functiebelasting de functionele mogelijkheden van appellante niet overschrijdt.
In hoger beroep bestrijdt appellante dat het medisch onderzoek van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat de medische beperkingen correct zijn vastgesteld. Ter zitting van de Raad is (subsidiair) verzocht om inschakeling van een deskundige.
Het Uwv heeft berust in de aangevallen uitspraak en ter uitvoering hiervan een nieuw besluit op bezwaar genomen op 28 september 2006, waarbij het bezwaar wederom ongegrond is verklaard. Aan dit besluit is een arbeidskundig rapport van
25 september 2006 voorafgegaan, waarin de bezwaararbeidsdeskundige ten aanzien van alle signaleringen in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies nader heeft toegelicht waarom de functionele mogelijkheden van appellante niet worden overschreden.
De Raad overweegt als volgt.
Nu in het nadere besluit van 28 september 2006 niet wordt tegemoetgekomen aan het beroep van appellante tegen het bestreden besluit, wordt het hoger beroep ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen dit nadere besluit. De Raad stelt tevens vast dat dit nadere besluit geheel in de plaats is getreden van het bestreden besluit, zodat appellante geen belang meer heeft bij een beslissing op het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak. Dit brengt mee dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Ter zake van het besluit van 28 september 2006 overweegt de Raad als volgt.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv van de juiste medische beperkingen is uitgegaan. Hetgeen in hoger beroep namens appellante is aangevoerd is niet onderbouwd met nadere (medische) gegevens en biedt de Raad onvoldoende aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen of tot het inschakelen van een medisch deskundige. De Raad merkt daarbij nog op dat de rapporten van 12 juni 1989 en 19 december 1990 van Psychologisch Adviesbureau Lancée B.V. omtrent de gezondheidstoestand van appellante te oud zijn om daaruit conclusies te kunnen trekken met betrekking tot de hier in geding zijnde datum 20 februari 2004.
Ten aanzien van de arbeidskundige component van de schatting oordeelt de Raad dat in het arbeidskundig rapport van 25 september 2006, in overeenstemming met de uitspraak van de Raad van 12 oktober 2006, LN: AY9971, voldoende is toegelicht waarom de functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn te achten.
Het beroep, voor zover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van
28 september 2006, is daarom ongegrond.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep dat gericht geacht wordt tegen het besluit van 28 september 2006 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en H.G. Rottier en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2008.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) E. de Bree.
JL