ECLI:NL:CRVB:2008:BC7756
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- H.G. Rottier
- B. Barentsen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen herziening WAO-uitkering na nieuw besluit op bezwaar
Appellante maakte bezwaar tegen een herziening van haar WAO-uitkering waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid was verlaagd van 80-100% naar 25-35%. De rechtbank Amsterdam vernietigde het bestreden besluit en onderschreef de medische grondslag, maar vond de toelichting op de arbeidskundige component onvoldoende.
Het UWV nam vervolgens een nieuw besluit op bezwaar waarin het bezwaar van appellante opnieuw ongegrond werd verklaard. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat dit nieuwe besluit het eerdere bestreden besluit volledig verving, waardoor appellante geen belang meer had bij het hoger beroep tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek van het UWV voldoende zorgvuldig was en dat de arbeidskundige toelichting in het rapport van september 2006 adequaat was. Er waren geen gronden voor het inschakelen van een medisch deskundige. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond.
De uitspraak bevestigt dat een nieuw besluit op bezwaar het eerdere besluit vervangt en dat hoger beroep tegen het eerdere besluit dan niet-ontvankelijk wordt verklaard. Tevens wordt benadrukt dat de Raad geen aanleiding zag voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het nieuwe besluit op bezwaar wordt ongegrond verklaard.