ECLI:NL:CRVB:2008:BC7762
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- H.G. Rottier
- B. Barentsen
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt besluit UWV over WAZ-uitkering wegens onjuiste beoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellant, een kunstschilder, vroeg in februari 2003 een uitkering aan op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Het UWV weigerde deze uitkering omdat appellant op de datum van arbeidsongeschiktheid (1 juni 1996) niet verzekerd was. Na bezwaar en een eerdere uitspraak van de rechtbank die het UWV terugwees, stelde het UWV in 2005 opnieuw een besluit dat de uitkering niet toekende, omdat appellant in 2003 volgens hen in dezelfde mate belastbaar was als in 1998.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn gezondheid sinds eind 2002 was verslechterd en dat de wachttijd van 52 weken niet in februari 2003 kon worden aangehouden. De Raad oordeelde dat het UWV ten onrechte alleen de situatie per februari 2003 had beoordeeld, terwijl er sinds 1997 meerdere ziekteperioden waren die de arbeidsongeschiktheid beïnvloedden. Uit medische rapporten bleek dat appellant vanaf augustus 1998 tot januari 2000 niet of marginaal belastbaar was.
De Raad concludeerde dat appellant vanaf 1 augustus 1999 in beginsel recht had op een WAZ-uitkering, ongeacht dat hij inkomsten had uit de verkoop van schilderijen. Het UWV had onvoldoende onderzocht of de uitkering op grond van de WAZ-regels beperkt moest worden. Daarom vernietigde de Raad het besluit en beval het UWV een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellant.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de juiste beoordeling van de arbeidsongeschiktheid.