ECLI:NL:CRVB:2008:BD1173

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4436 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 8:75 AwbWerkloosheidswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling vergoeding kosten bezwaar bij afwijzing WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid

Appellant was als chauffeur werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en werd op staande voet ontslagen. Hij vroeg een WW-uitkering aan, die het UWV bij besluit van 5 juli 2006 geheel weigerde wegens verwijtbare werkloosheid. Later werd het ontslag op staande voet teruggedraaid en werd de arbeidsovereenkomst per 9 juni 2006 beëindigd, waarna appellant alsnog een WW-uitkering kreeg toegekend.

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van 5 juli 2006 en verzocht tevens om vergoeding van de kosten die hij in verband met de bezwaarprocedure had gemaakt. Het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond en wees de kostenvergoeding af. De rechtbank bevestigde dit oordeel, waarna appellant in hoger beroep ging.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de kostenvergoeding alleen verschuldigd is indien het primaire besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Omdat appellant pas na het primaire besluit bewijs overlegde dat het ontslag was teruggedraaid en het UWV het loon tot de nieuwe einddatum had doorbetaald, was geen sprake van een aan het UWV te wijten onrechtmatigheid. Daarom is het verzoek om kostenvergoeding terecht afgewezen.

De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitspraak

07/4436 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 15 juni 2007, 06/6012 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 april 2008.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.J.M. Boot, advocaat te Steenbergen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2008. Appellant en zijn raadsman zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. de Groot, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2.1. Appellant was op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 10 december 2005 tot 9 juni 2006 als chauffeur werkzaam. Op 19 januari 2006 is appellant op staande voet ontslagen. Hierop heeft appellant een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 5 juli 2006 heeft het Uwv aan appellant uitkering ingevolge de WW blijvend geheel geweigerd op de grond dat hij verwijtbaar werkloos is geworden omdat hij had kunnen weten dat zijn gedrag tot ontslag zou leiden.
2.2. Op 7 augustus 2006 heeft appellant wederom een aanvraag voor een WW-uitkering ingediend. Daarbij heeft appellant een brief van zijn voormalige werkgever van 8 juni 2006 overgelegd waaruit blijkt dat het ontslag op staande voet is teruggedraaid en dat de arbeidsovereenkomst per 9 juni 2006 van rechtswege eindigt. Met ingang van 3 juli 2006 is aan appellant een WW-uitkering toegekend.
2.3. Bij besluit van 16 oktober 2006 heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 5 juli 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Uwv overwogen dat het loon van appellant tot 9 juni 2006 is doorbetaald, zodat hij met ingang van 20 januari 2006 geen recht heeft op een WW-uitkering. Doordat de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd, stelt het Uwv zich niet langer op het standpunt dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Het Uwv heeft het verzoek van appellant om vergoeding van de kosten die hij heeft gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar afgewezen, omdat het bezwaar ongegrond is verklaard.
3. Appellant heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het besluit van 16 oktober 2006. Hij is van mening dat, hoewel achteraf kon worden vastgesteld dat hij geen recht op WW-uitkering had, feit blijft dat bij het primaire besluit zijn aanvraag om een uitkering op onjuiste gronden is afgewezen. Volgens appellant brengt dit mee dat hem een vergoeding voor de door hem in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten had moeten worden toegekend.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een herroeping van het primaire besluit wegens aan het Uwv te wijten onrechtmatigheid.
4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat uit het besluit van 16 oktober 2006 blijkt dat het Uwv de door hem aangevraagde WW-uitkering bij het besluit van 5 juli 2006 ten onrechte heeft afgewezen op grond van verwijtbare werkloosheid.
Weliswaar is achteraf gebleken dat hij met ingang van 20 januari 2006 geen recht had op een WW-uitkering, maar dat doet er naar de mening van appellant niet aan af dat hij terecht bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 5 juli 2006. Om die reden meent appellant dat het Uwv hem de in het kader van de bezwaarprocedure gemaakte kosten had moeten vergoeden.
5.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.2. Artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt - voor zover hier van belang - dat de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan dat orgaan te wijten onrechtmatigheid.
5.3. Zoals blijkt uit de gedingstukken was ten tijde van het nemen van het primaire besluit bekend dat appellant bij de werkgever de nietigheid van het ontslag had ingeroepen. Appellant heeft echter eerst na het primaire besluit van 5 juli 2006 de brief van 8 juni 2006 van zijn voormalige werkgever overgelegd waaruit blijkt dat de arbeidsovereenkomst niet op 19 januari 2006, maar op 9 juni 2006 is geëindigd en dat de werkgever het loon nog tot laatstgenoemde datum heeft doorbetaald. Gelet hierop is de Raad met de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van herroeping van het primaire besluit wegens aan het Uwv te wijten onrechtmatigheid, en dat het Uwv het verzoek van appellant om de kosten van bezwaar te vergoeden terecht heeft afgewezen.
5.4. Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 april 2008.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) P. Boer.
RH
2/4