ECLI:NL:CRVB:2008:BD1287

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4152 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswettenArt. 44 WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering en maatmaninkomen zonder aanpassing voor bedrijfssparen en golfclublidmaatschap

Appellant, een advocaat die sinds maart 1997 werkzaam was bij een advocatenkantoor, meldde zich ziek wegens hartklachten en kreeg per 25 september 2002 een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45-55%. Later werd zijn uitkering herzien naar 35-45% arbeidsongeschiktheid.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij 20 uur per week werkte en dus slechts 50% arbeidsongeschikt was. Tevens stelde hij dat het maatmaninkomen aangepast moest worden vanwege bedrijfssparen en een vergoeding voor het lidmaatschap van een golfclub. De rechtbank had dit reeds afgewezen en de Raad bevestigde dit oordeel.

De Raad overwoog dat het maatmaninkomen wordt vastgesteld op basis van het inkomen dat appellant verdiende vóór het intreden van arbeidsongeschiktheid, geactualiseerd en geïndexeerd naar de relevante data. Wijzigingen na de eerste vaststelling worden niet meegenomen. De vergoeding voor het golfclublidmaatschap werd gezien als representatiekosten en niet als loonbestanddeel. Ook werd het bedrijfssparen niet als onderdeel van het maatmaninkomen erkend vanwege onvoldoende onderbouwing.

De Raad concludeerde dat appellant geen recht heeft op aanpassing van het maatmaninkomen en bevestigde het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd zonder aanpassing van het maatmaninkomen voor bedrijfssparen of golfclublidmaatschap.

Uitspraak

06/4152 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 16 juni 2006, 05/1393 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 25 april 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.H. Schuth, advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2008. Appellant is verschenen in persoon.
Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. R.A. Sowka.
II. OVERWEGINGEN
Appellant was vanaf maart 1997 werkzaam als advocaat bij Tiebout advocaten. In verband met hartklachten heeft hij zich ziek gemeld op 26 september 2001. Per 25 september 2002 is hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%. Appellant werkte op dat moment 20 uur per week in zijn eigen werk, hetgeen overeenkomt met zijn maximale belastbaarheid. Met ingang van 1 december 2002 is appellant als advocaat gaan werken bij [naam werkgever]; zijn uitkering is vanaf dat moment met toepassing van artikel 44 van Pro de WAO uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%.
Bij besluit van 21 augustus 2004 is de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 oktober 2004 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%.
Bij besluit van 7 december 2005 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen dat besluit ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat ingevolge artikel 7 van Pro het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten het maatmaninkomen, na de bij de toekenning van uitkering gedane vaststelling daarvan, niet meer wordt aangepast. Naar het oordeel van de rechtbank is voorts terecht geen rekening gehouden met een vergoeding van het lidmaatschap van de golfclub omdat deze vergoeding moet worden gezien als een vergoeding voor representatiekosten. Ten slotte heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat een gedeelte van het bedrijfssparen bij het maatmaninkomen moet worden meegenomen.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij 20 uur per week werkt en dus 50% arbeidsongeschikt is. Hij heeft zich beroepen op diverse uitspraken van de Raad inzake toekomstverwachtingen. Voorts handhaaft hij zijn stellingen omtrent het lidmaatschap van de golfclub en het bedrijfssparen.
De Raad overweegt als volgt.
Bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid dient in beginsel als maatman te worden aangemerkt degene die dezelfde arbeid verricht als de verzekerde laatstelijk voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid verrichtte. Onder maatmaninkomen wordt verstaan het door de verzekerde op dat moment verdiende inkomen. Dat inkomen wordt geactualiseerd naar de datum einde wachttijd, in dit geval 25 september 2002, en geïndexeerd naar de datum in geding, 1 oktober 2004.
Ingevolge artikel 7 van Pro het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Besluit van 8 juli 2000, Stb. 307) wordt – kort gezegd – bij een herziening van de uitkering geen rekening gehouden met na de eerste vaststelling van het maatmaninkomen opgetreden wijzigingen in dat maatmaninkomen.
Uit de brief van Tiebout advocaten van 15 augustus 2005 blijkt dat appellant van maart 1997 tot december 2002 bij dat kantoor in loondienst is geweest. De eerste drie jaren was appellant werkzaam als advocaat-stagiaire tegen een salaris conform de landelijke richtlijnen. Daarna was hij werkzaam als advocaat-medewerker tegen een bij dat kantoor geldend uniform salaris, dat afhankelijk is van functie, ervaring en eventueel leeftijd. Ten tijde van zijn uitval ontving appellant een salaris van f 5.775,= per maand. Uit het bij de brief gevoegde overzicht van de salarisschalen blijkt dat dit trede 5 is van de salarisschaal voor advocaat. De volgende treden zijn f 6.300,=, f 6.825,=, f 7.350,=, f 7.875,=, f 8.400,=, f 8.662,= en f 8.925,=. Treden omhoog is afhankelijk van lengte dienstverband en functioneren.
Evenals de rechtbank ziet de Raad in deze informatie onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het maatmaninkomen van appellant volgens deze treden zou dienen te worden aangepast. Appellant was al werkzaam als advocaat en in zijn werkzaamheden is geen verandering gekomen; van niet gerealiseerde toekomstverwachtingen is dan ook geen sprake.
Met betrekking tot de stelling van appellant omtrent het lidmaatschap van de golfclub overweegt de Raad dat uit de brief van Tiebout blijkt dat de vergoeding van deze kosten gezien dienen te worden als representatiekosten. Hetgeen appellant heeft aangevoerd geeft de Raad geen aanleiding hier anders tegen aan te kijken.
Het standpunt van appellant aangaande het bedrijfssparen vindt geen steun in de stukken en kan, als onvoldoende onderbouwd, niet worden gevolgd.
Het hoger beroep treft dus geen doel.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 april 2008.
(get.) R.C. Stam.
(get.) W.R. de Vries.
CVG