ECLI:NL:CRVB:2008:BD1652
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- R.H.M. Roelofs
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering toeslag wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving sinds december 2001 een toeslag op grond van de Toeslagenwet als alleenstaande. Na een huisbezoek in juni 2005 stelde het Uwv vast dat appellant en zijn zuster een gezamenlijke huishouding voerden, wat niet was gemeld. Hierdoor werd de toeslag over de periode van december 2001 tot mei 2002 ingetrokken en teruggevorderd.
De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant voerde aan dat hij geen gezamenlijke huishouding voerde en dat hij niet wist dat hij dit moest melden. De Raad oordeelde echter dat uit verklaringen van appellant en zijn zuster bleek dat zij kosten deelden en samen het huishouden voerden, waarmee werd voldaan aan de criteria van gezamenlijke huishouding volgens de TW.
De Raad verwierp het verweer van appellant dat er geen verwijtbare schending van de inlichtingenplicht was, mede omdat op het aanvraagformulier duidelijk stond dat een partner ook een broer of zuster kon zijn. Er was geen dringende reden om af te zien van intrekking en terugvordering. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de toeslag wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.