ECLI:NL:CRVB:2008:BD1801
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering arbeidskundige grondslag
Appellant, werkzaam als assistent conciërge, ontving sinds 1999 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Het UWV trok deze uitkering in per 13 maart 2005, waarna appellant bezwaar maakte dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde dit besluit, waarbij zij de medische en arbeidskundige onderbouwing van het UWV voldoende achtte.
In hoger beroep stelde appellant dat het medische onderzoek onvoldoende was, met name ten aanzien van psychische klachten, en dat hij meer beperkt was dan in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) was aangegeven. De Raad onderschreef echter de rechtbank in de medische beoordeling en zag geen aanleiding voor een psychiatrisch onderzoek.
De Raad oordeelde echter dat de arbeidskundige motivering pas in hoger beroep adequaat was onderbouwd. Omdat deze onderbouwing ontbrak in eerste aanleg, vernietigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep gegrond. Het bestreden besluit werd vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 Awb, maar de rechtsgevolgen van het besluit bleven in stand.
Tot slot wees de Raad de proceskosten toe aan appellant en bepaalde dat het UWV het griffierecht vergoedt.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de WAO-uitkering wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering van de arbeidskundige grondslag.