ECLI:NL:CRVB:2008:BD1801

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 mei 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1893 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering arbeidskundige grondslag

Appellant, werkzaam als assistent conciërge, ontving sinds 1999 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Het UWV trok deze uitkering in per 13 maart 2005, waarna appellant bezwaar maakte dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde dit besluit, waarbij zij de medische en arbeidskundige onderbouwing van het UWV voldoende achtte.

In hoger beroep stelde appellant dat het medische onderzoek onvoldoende was, met name ten aanzien van psychische klachten, en dat hij meer beperkt was dan in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) was aangegeven. De Raad onderschreef echter de rechtbank in de medische beoordeling en zag geen aanleiding voor een psychiatrisch onderzoek.

De Raad oordeelde echter dat de arbeidskundige motivering pas in hoger beroep adequaat was onderbouwd. Omdat deze onderbouwing ontbrak in eerste aanleg, vernietigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep gegrond. Het bestreden besluit werd vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 Awb, maar de rechtsgevolgen van het besluit bleven in stand.

Tot slot wees de Raad de proceskosten toe aan appellant en bepaalde dat het UWV het griffierecht vergoedt.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de WAO-uitkering wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering van de arbeidskundige grondslag.

Uitspraak

06/1893 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 februari 2006, 05/3429 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 mei 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2008. Appellant is verschenen bij gemachtigde, mr. Kuit. Het Uwv was niet vertegenwoordigd.
II. OVERWEGINGEN
Appellant was werkzaam als assistent conciërge. Hij heeft zich op 21 april 1998 ziek gemeld als gevolg van nek – en schouderklachten links. Later zijn daar een posttraumatische stresstoornis en een depressie bijgekomen.
Ingaande 20 april 1999 werd appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100% omdat aan die schatting niet voldoende functies ten grondslag konden worden gelegd.
Bij besluit van 17 januari 2005 heeft het Uwv de uitkering met ingang van 13 maart 2005 ingetrokken.
Het door appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 30 juni 2005 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank, samengevat weergegeven, overwogen geen aanleiding te zien de door de verzekeringsarts vastgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts akkoord bevonden beperkingen zoals deze zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 30 november 2004 voor onjuist te houden. Ten aanzien van de motivering van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (o.m. LJN: AR4717) geoordeeld dat deze in voldoende mate in overeenstemming is met de daaraan te stellen eisen van inzichtelijkheid, verifieerbaarheid en toetsbaarheid. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat de – in zijn algemeenheid – aan het Claimbeoordelings - en Borgingssysteem (CBBS) klevende onvolkomenheden in dit geval niet van dien aard zijn dat zij dienen te leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
In hoger beroep heeft appellant aangegeven het medische onderzoek onzorgvuldig te achten nu dit in onvoldoende mate gericht is geweest op zijn psychische klachten. Er is volgens appellant ten onrechte geen nader onderzoek gedaan door bijvoorbeeld een onafhankelijke psychiater of psycholoog. Appellant acht zich meer beperkt dan in de FML is aangegeven en is van mening dat hij daardoor niet in staat is de geduide functies te verrichten.
De Raad kan de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit volledig onderschrijven en maakt deze tot de zijne. Appellant heeft zijn stelling dat hij – in psychische zin – meer dan wel anders beperkt is dan in de FML is aangegeven (ook) in hoger beroep niet met medische stukken onderbouwd. De Raad ziet dan ook evenals de rechtbank geen indicatie voor het doen verrichten van een psychiatrische expertise.
Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad als volgt.
In zijn rapportage van 17 januari 2008 heeft de bezwaararbeidsdeskundige A.W. van Mastrigt de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies besproken en daarbij alle in die functies voorkomende signaleringen alsnog van een toelichting voorzien. De Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan de in deze rapportage vervatte conclusie dat de geduide functies geschikt zijn voor appellant. Appellant heeft ter zake geen concrete grieven aangevoerd die tot een andersluidend oordeel zouden kunnen leiden.
Nu toereikende onderbouwing van de arbeidskundige grondslag evenwel eerst in hoger beroep heeft plaatsgevonden, zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen en – doende hetgeen de rechtbank heeft behoren te doen – het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 en Pro artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven.
De Raad overweegt tot slot dat de eerst ter zitting in hoger beroep opgeworpen grief dat sommige van de geduide functies niet geschikt zijn in verband met de daaraan gestelde opleidingsvereisten op VBO- en VMBO- niveau, niet slaagt nu op geen enkele wijze is onderbouwd dat appellant daaraan niet voldoet.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,-- voor in beroep en € 644,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.
Nu is gebleken dat in hoger beroep een toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand is verleend, dient € 644,- te worden betaald aan de griffier van de Raad.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Rechtdoende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen waarvan € 644,- aan appellant en € 644,- aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2008.
(get.) G.H.J. Doornewaard
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
JL