ECLI:NL:CRVB:2008:BD1868

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-96 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.17 Wsf 2000Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vordering meerinkomen en OV-schuld na afwijzing hardheidsclausule

Appellante stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar die haar beroep tegen de vordering wegens meerinkomen en de OV-schuld over het jaar 2001 ongegrond verklaarde. De IB-Groep had het bestreden besluit van 11 mei 2006, waarin de vordering en schuld werden gehandhaafd, genomen na bezwaar.

De Raad overwoog dat de hoogte van het meerinkomen niet in geschil was en dat de IB-Groep terecht afzag van toepassing van de hardheidsclausule omdat geen individuele omstandigheden van zeer bijzondere aard waren aangetoond. Appellante voerde hoge ziektekosten aan en het feit dat zij haar OV-kaart niet kon inleveren zonder definitief recht te verliezen, maar dit was onvoldoende om de gedragslijn van de IB-Groep te doorbreken.

Voorts stelde appellante dat de IB-Groep een te hoog inkomen had gehanteerd voor 2001 en latere jaren, maar dit werd niet onderbouwd en de Raad kon over de jaren na 2001 geen oordeel geven. De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie waarin werd gesteld dat appellante voortvarend en uit eigen beweging de IB-Groep had moeten informeren over de overschrijding van de vrije voet en met terugwerkende kracht om stopzetting van studiefinanciering had moeten verzoeken.

De Raad zag geen aanleiding om af te wijken van de aangevallen uitspraak en bevestigde deze. Er werd ook geen toepassing gegeven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan door voorzitter Janssen en leden Brand en Hilhorst-Hagen op 25 april 2008.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vordering wegens meerinkomen en OV-schuld en wijst het beroep op de hardheidsclausule af.

Uitspraak

07/96 WSF
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 14 december 2006, 06/1861 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep)
Datum uitspraak: 25 april 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld en de IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2008.
Appellante is niet verschenen. De IB-Groep heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 11 mei 2006 (bestreden besluit) heeft de IB-Groep, beslissende op bezwaar, de aan appellante opgelegde vordering wegens meerinkomen voor het jaar 2001 (na een kleine correctie) alsmede de opgelegde OV-schuld gehandhaafd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen dat besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de hoogte van de bijverdiensten niet in geschil is en dat de IB-Groep in redelijkheid heeft kunnen afzien van het toepassen van de hardheidsclausule nu geen sprake is van individuele omstandigheden van (zeer) bijzondere aard die nopen tot afwijking van de wettelijke bepalingen.
Appellante is van mening dat er wel redenen zijn om de hardheidsclausule toe te passen. Zij heeft er op gewezen dat zij hoge ziektekosten heeft en dat zij haar OV-kaart niet kon inleveren omdat zij deze dan, doordat zij inmiddels 30 jaar was geworden, definitief kwijt zou zijn. Voorts heeft zij gesteld dat de IB-groep zowel voor het jaar 2001 als voor de jaren 2002 en 2003 van een te hoog inkomen is uitgegaan.
Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.
De Raad voegt daar nog het volgende aan toe.
Appellante heeft haar stelling dat de IB-Groep van een te hoog inkomen is uitgegaan, niet onderbouwd; in de beschikbare stukken is voor dit standpunt evenmin steun te vinden. Aangaande de jaren 2002 en 2003 overweegt de Raad dat het bestreden besluit alleen gaat over het jaar 2001, zodat de Raad over de andere jaren thans geen oordeel kan geven.
Met betrekking tot appellantes beroep op de hardheidsclausule verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 26 januari 2007 (te vinden op rechtspraak.nl onder nummer LJN AZ7267). In die uitspraak heeft de Raad de vaste gedragslijn van de IB-Groep bij de toepassing van de hardheidsclausule ten aanzien van artikel 3.17, tiende lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) geaccepteerd. Voor wat betreft de toepassing van die gedragslijn in het onderhavige geval wijst de Raad erop dat appellante niet heeft voldaan aan de van die gedragslijn deel uitmakende voorwaarde om na de overschrijding van de vrije voet met enige voortvarendheid en uit eigen beweging de IB-Groep van die overschrijding op de hoogte te stellen en met terugwerkende kracht om stopzetting van de studiefinanciering te verzoeken. Dat appellante daardoor vanwege het bereiken van de leeftijd van 30 jaar haar recht op studiefinanciering (inclusief OV-kaart) definitief kwijt zou zijn geraakt, leidt niet tot een ander oordeel.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 april 2008.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
TM