ECLI:NL:CRVB:2008:BD2185
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- G.J.H. Doornewaard
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van premies vrijwillige ZW- en WAO-verzekering bij vaststelling maatmaninkomen WAZ-uitkering
Appellant, werkzaam als meewerkend directeur-grootaandeelhouder, was vrijwillig verzekerd voor de Ziektewet (ZW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij besluiten van januari 2004 werden aan appellant uitkeringen toegekend op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en de WAO, berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 55-65%. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, dat door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) werd afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, waarna het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar nam waarin de premies voor de vrijwillige verzekering alsnog in het maatmaninkomen werden betrokken, maar het bezwaar opnieuw werd afgewezen omdat dit niet leidde tot een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse. Appellant stelde hoger beroep in tegen beide uitspraken.
De Raad stelde vast dat appellant geen belang meer had bij het hoger beroep tegen de tweede uitspraak en verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk. Ten aanzien van het hoger beroep tegen de eerste uitspraak oordeelde de Raad dat de premies voor de vrijwillige verzekering terecht in het maatmaninkomen moeten worden betrokken omdat dit een voordeel uit de dienstbetrekking betreft. De Raad bevestigde de eerste uitspraak met de verplichting aan het Uwv om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze overwegingen.
De Raad veroordeelde het Uwv tevens in de proceskosten van appellant en bepaalde dat het griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: Hoger beroep tegen tweede uitspraak niet-ontvankelijk; eerste uitspraak bevestigd met verplichting tot nieuwe beslissing op bezwaar waarbij premies vrijwillige verzekering worden betrokken.