ECLI:NL:CRVB:2008:BD2385
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering vervolguitkering wegens schending hoorplicht
Betrokkene was werkzaam bij het UWV op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die op 1 februari 2005 eindigde. Hij vroeg een WW-uitkering aan inclusief een vervolguitkering. Het UWV kende een loongerelateerde uitkering toe, maar weigerde impliciet een vervolguitkering toe te kennen. Betrokkene maakte bezwaar tegen deze weigering, waarop het UWV het bezwaar kennelijk ongegrond verklaarde zonder een hoorzitting te houden.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond en oordeelde dat het onderscheid tussen arbeidsovereenkomsten voor bepaalde en onbepaalde tijd objectief gerechtvaardigd was. Ook wees de rechtbank het beroep op Europese richtlijnen af, omdat deze niet zien op sociale zekerheidsuitkeringen na afloop van arbeidsovereenkomsten.
In hoger beroep stelde betrokkene dat de rechtbank ten onrechte niet op formele bezwaren was ingegaan en dat prejudiciële vragen aan het Europese Hof gesteld moesten worden. De Raad oordeelde dat de rechtbank niet op formele grieven was ingegaan, wat strijdig was met de Awb. De Raad stelde vast dat het UWV de hoorplicht had geschonden door betrokkene geen gelegenheid te bieden zijn standpunt toe te lichten, ondanks toezeggingen.
Desondanks handhaafde de Raad de rechtsgevolgen van het besluit, omdat het UWV terecht geen vervolguitkering toekende. Prejudiciële vragen werden niet gesteld. De Raad bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellanten wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de vervolguitkering wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.