ECLI:NL:CRVB:2008:BD2461
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op doorbetaling loon en WW-uitkering na arbeidsongeschiktheid en reorganisatie
Betrokkene was sinds 1998 in dienst als telefoniste/receptioniste en afdelingssecretaresse en viel in maart 2003 uit wegens psychische klachten. Na afloop van de wachttijd werd zij geen WAO-uitkering toegekend omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt was, maar geschikt voor passende arbeid. De werkgever betaalde loon door tot 1 april 2004, waarna betrokkene een WW-uitkering aanvroeg. De werkgever stelde dat passende arbeid beschikbaar was, terwijl betrokkene en de rechtbank oordeelden dat dit niet het geval was vanwege de gespannen situatie en reorganisatie bij de werkgever.
De rechtbank oordeelde dat de werkgever aan zijn re-integratieverplichtingen had voldaan en dat betrokkene vanaf 1 april 2004 recht had op WW-uitkering. De Centrale Raad van Beroep volgde dit oordeel en bevestigde dat de werkgever geen verplichting had tot loonbetaling na die datum. De Raad hechtte daarbij belang aan het arbeidsdeskundig rapport en de reorganisatiecontext, die maakten dat passend werk niet beschikbaar was.
De Raad veroordeelde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot betaling van proceskosten aan betrokkene en bepaalde dat bij het nieuwe besluit op bezwaar ook aandacht moet worden besteed aan een verzoek tot vergoeding van renteschade. Het bestreden besluit werd vernietigd en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat betrokkene vanaf 1 april 2004 recht heeft op WW-uitkering en vernietigt het bestreden besluit.