ECLI:NL:CRVB:2008:BD2841
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- K. Zeilemaker
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting niet volledig gerechtvaardigd
Appellanten ontvingen sinds december 2003 een bijstandsuitkering. Het College stelde na onderzoek vast dat zij meer uitgaven hadden dan inkomsten en besloot de bijstand met terugwerkende kracht in te trekken en terug te vorderen over de periode 23 december 2003 tot 31 mei 2005 vanwege schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellanten onvoldoende inzicht hadden gegeven in de herkomst van gelden naast de bijstand, waaronder kredietopnames, belastingteruggaven en inkomsten uit autoreparaties. In hoger beroep stelde appellanten dat zij aanvullende gegevens hadden verstrekt die het recht op bijstand nu wel konden aantonen.
De Raad oordeelt dat appellanten de herkomst van kredietopnames, belastingteruggaven en stortingen aannemelijk hebben gemaakt met bankafschriften en verkoopopbrengsten van bezittingen. Echter, de verklaring over inkomsten uit autoreparaties is onvoldoende onderbouwd, waardoor het College hierover onvoldoende gemotiveerd heeft besloten.
De Raad vernietigt daarom het besluit voor zover het de intrekking en terugvordering betreft over genoemde periode, verklaart het beroep gegrond en beveelt het College een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelt de Raad het College tot vergoeding van proceskosten aan appellanten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 23 december 2003 tot en met 31 mei 2005 wordt vernietigd en het College wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.