ECLI:NL:CRVB:2008:BD3215
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- C. van Viegen
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten intrekking en terugvordering bijstand wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande. Na een aangifte van mishandeling door haar partner [M.] stelde de gemeente Rotterdam een onderzoek in naar de rechtmatigheid van de bijstand. Op basis van de verklaring van [M.] dat hij 14 jaar met appellante had samengewoond, concludeerde het College dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en trok de bijstand met terugwerkende kracht in vanaf 3 augustus 2000. Tevens werd de betaalde bijstand teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt anders. De Raad stelt dat de gegevens ontoereikend zijn om te concluderen dat appellante en [M.] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden gedurende de relevante periode. De verklaring van [M.] is onvoldoende concreet en werd afgelegd in het kader van een mishandelingsaangifte, waardoor deze niet zonder meer kan worden gebruikt als bewijs voor gezamenlijke huishouding.
Daarom vernietigt de Raad de besluiten tot intrekking en terugvordering van de bijstand en herroept deze. Tevens veroordeelt de Raad het College in de proceskosten van appellante. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige en voldoende onderbouwde motivering bij besluiten over bijstandsintrekking.
Uitkomst: De besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand worden vernietigd wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding.