ECLI:NL:CRVB:2008:BD3346
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Herleving en omvang van recht op WW-uitkering bij gewijzigde medische situatie
Appellant was in hoger beroep tegen besluiten van het UWV over zijn recht op een WW-uitkering na ontslag in 1995. Het geschil betrof de herleving van het WW-recht, de omvang van het recht en de berekening van het dagloon.
De Raad oordeelde dat het UWV het besluit van 10 april 2006 niet had gehandhaafd en dat het beroep tegen dat besluit gegrond was. Het recht op WW-uitkering van appellant, ontstaan in 1995, herleeft met ingang van 23 juli 2002 zonder voortzetting van de maatregel van verwijtbare werkloosheid. De omvang van het recht is vastgesteld op 19,54 arbeidsuren per week en het dagloon op € 36,53 bruto.
Verder werd geoordeeld dat het UWV de redelijke beslistermijn in bezwaar niet had overschreden en dat de rechtbank terecht het verzoek tot immateriële schadevergoeding had afgewezen. De proceskosten werden deels aan appellant toegekend. Het beroep tegen het besluit van 13 september 2007 werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 13 september 2007 wordt ongegrond verklaard, het besluit van 10 april 2006 wordt vernietigd en het recht op WW-uitkering herleeft met correcte vaststelling van dagloon en arbeidsuren.