ECLI:NL:CRVB:2008:BD3895
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- T. Hoogenboom
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vernietiging UWV-besluiten wegens onvoldoende feitelijke grondslag inschrijvingskwestie WW-uitkering
Appellante ontving een loongerelateerde WW-uitkering vanaf 1 januari 2004 tot 14 januari 2006. Zij was ingeschreven als werkzoekende bij het CWI tot 5 januari 2005, maar bleek daarna niet meer geregistreerd te zijn. Het UWV legde een korting van 20% op haar uitkering op grond van het niet tijdig verlengen van haar inschrijving en legde tevens een boete op wegens het niet nakomen van haar inlichtingenplicht.
Appellante voerde aan dat zij het inschrijvingsbewijs tijdig had opgestuurd en dat zij aannam dat haar inschrijving was verlengd tot het einde van haar WW-uitkering. De Raad oordeelde dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar de reden van uitschrijving en dat niet was vastgesteld dat appellante iets had gedaan of nagelaten waardoor de uitschrijving zou plaatsvinden.
Daarom vernietigde de Raad de besluiten van het UWV en bepaalde dat het UWV opnieuw moet beslissen, met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De besluiten van het UWV worden vernietigd wegens onvoldoende feitelijke grondslag en het UWV moet opnieuw beslissen.