ECLI:NL:CRVB:2008:BD4080
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- A. Beuker-Tilstra
- G.L.M.J. Stevens
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Ingangsdatum periodieke uitkering bij latere vaststelling causale invalidering
Appellante diende in januari 2006 een aanvraag in voor een periodieke uitkering en voorzieningen als vervolgde op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Aanvankelijk werd haar aanvraag afgewezen omdat de psychische klachten niet het niveau van ziekte of gebrek bereikten en niet aan de vervolging konden worden toegeschreven. In bezwaar werd zij opnieuw onderzocht, waarbij werd vastgesteld dat zij leed aan PTSS als gevolg van vervolgingsomstandigheden, wat leidde tot toekenning van de uitkering en voorzieningen met ingang van 1 september 2006.
Appellante stelde dat de ingangsdatum van de uitkering en voorzieningen op 1 januari 2006 had moeten liggen, de datum van haar aanvraag. De Raad overwoog dat artikel 34 van Pro de Wet een dwingendrechtelijke bepaling bevat die voorschrijft dat de uitkering ingaat op de eerste dag van de maand van de aanvraag. De Raad verwierp het standpunt van verweerster dat de ingangsdatum afhankelijk zou zijn van het moment van medische vaststelling van de invalidering.
De Raad oordeelde dat de latere vaststelling van de causale invalidering in bezwaar geen aanleiding geeft om af te wijken van de wettelijke ingangsdatum. De Raad vernietigde het bestreden besluit voor zover het de ingangsdatum betrof en bepaalde dat appellante met ingang van 1 januari 2006 recht heeft op de toegekende uitkering en voorzieningen. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.
Uitkomst: De ingangsdatum van de periodieke uitkering en voorzieningen wordt vastgesteld op 1 januari 2006, de datum van de aanvraag.