ECLI:NL:CRVB:2008:BD5736
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking toeslag wegens gezamenlijke huishouding bij werknemersfraude
Appellante ontving vanaf 25 februari 1997 een WAO-uitkering en een toeslag voor alleenstaande ouder. Het UWV startte een fraudeonderzoek naar gezamenlijke huishouding met [betrokkene], die haar dochter erkende en waarvan werd vastgesteld dat hij vanaf 1 januari 2003 zijn hoofdverblijf bij appellante had.
Appellante betwistte in hoger beroep dat sprake was van gezamenlijke huishouding, onder meer omdat [betrokkene] niet zijn hoofdverblijf aan het adres had en het fraudeonderzoek pas in 2004 was gestart. Tevens stelde zij dat onrechtmatig verkregen observaties buiten beschouwing moesten blijven.
De Raad oordeelde dat het bewijs niet onrechtmatig was verkregen in die zin dat het gebruik ervan onaanvaardbaar zou zijn en bevestigde dat uit het rapport werknemersfraude en aanvullende gegevens zoals gedeeld e-mailadres en internetgegevens voldoende aannemelijk was dat sprake was van gezamenlijke huishouding vanaf 1 januari 2003.
De intrekking van de toeslag met ingang van die datum werd daarom bevestigd. De Raad zag geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De intrekking van de toeslag wegens gezamenlijke huishouding vanaf 1 januari 2003 wordt bevestigd.