ECLI:NL:CRVB:2008:BD5843
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- K. Zeilemaker
- E.J.M. Heijs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet-melding bankrekening en overschrijding vermogensgrens
Appellant ontving bijstand als alleenstaande, maar het College ontdekte dat hij niet had gemeld dat hij beschikte over een spaarrekening op zijn naam met een saldo boven de vrij te laten vermogensgrens. Het College trok daarom de bijstand over de periode van 5 november 2001 tot en met 23 mei 2002 in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen deze intrekking ongegrond, maar vernietigde het besluit over de rechtsgevolgen. Appellant stelde dat niet hij, maar zijn moeder verantwoordelijk was voor de omzetting van de rekening en dat hij pas in 2003 van het bestaan van de rekening wist. De Raad oordeelde dat het feit dat de rekening op zijn naam stond de veronderstelling rechtvaardigt dat hij bekend was met de rekening en dat het saldo tot zijn vermogen behoorde.
Appellant slaagde er niet in met objectieve en verifieerbare gegevens aan te tonen dat de rekening door zijn moeder was omgezet zonder zijn medeweten. De Raad vond dat appellant onvoldoende had gedaan om een verklaring van de betrokken bankmedewerker te verkrijgen. De verklaring van zijn moeder werd vanwege familieband niet doorslaggevend geacht.
De Raad concludeerde dat het College terecht de bijstand heeft ingetrokken en de kosten heeft teruggevorderd. Er waren geen bijzondere omstandigheden om van het beleid af te wijken. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.