ECLI:NL:CRVB:2008:BD6261
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- K. Zeilemaker
- E.J.M. Heijs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand na nalatenschap ondanks beschikking later dan overlijden
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na het overlijden van de moeder van appellante op 21 juni 2004, werd een nalatenschap verwacht. Het College besloot de bijstand in te trekken per 1 oktober 2005 en de kosten van bijstand over de periode 21 juni 2004 tot 30 september 2005 terug te vorderen, omdat appellanten over vermogen beschikten.
De rechtbank oordeelde dat het recht op bijstand pas kon worden beëindigd vanaf de datum van daadwerkelijke uitbetaling van de nalatenschap (11 oktober 2005). Het College ging hiertegen in hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep stelde dat de aanspraak op het erfdeel ontstaat op het tijdstip van overlijden en dat het College dus bevoegd was tot terugvordering vanaf die datum.
De Raad vond het beleid van het College niet onredelijk en zag geen reden om op grond van de Algemene wet bestuursrecht af te wijken van terugvordering. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering van bijstand vanaf het moment van overlijden van de erflater wordt bevestigd.