ECLI:NL:CRVB:2008:BD7437
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering en beoordeling medische beperkingen in hoger beroep
Appellante, die sinds november 1996 arbeidsongeschikt is, kreeg in 1998 een WAO-uitkering toegekend. In 2005 werd deze uitkering ingetrokken omdat het UWV oordeelde dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Na bezwaar en beroep werd de uitkering vastgesteld op een mate van 15 tot 25% arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bezwaar ongegrond en niet-ontvankelijk, waarbij zij oordeelde dat het UWV van juiste medische beperkingen was uitgegaan en de functies passend waren. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het CBBS onvoldoende toetsbaar en verifieerbaar was, en dat zij de functies niet kon vervullen.
De Raad stelde vast dat appellante geen nieuwe medische gegevens had overgelegd en dat er geen bewijs was dat zij de functies niet kon vervullen. Wel concludeerde de Raad dat het UWV pas in hoger beroep een toereikende motivering gaf voor de medische geschiktheid van de functies, waarmee de gebrekkige motivering in het bestreden besluit werd opgeheven.
Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit ongewijzigd. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het UWV wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.