AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Herziening WW-uitkering met terugwerkende kracht niet toegestaan wegens onduidelijkheid korting gewerkte uren
Appellant maakte bezwaar tegen de herziening van zijn WW-uitkering over de periode 1 december 2003 tot en met 11 december 2005, waarbij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de uitkering met terugwerkende kracht had gekort vanwege gewerkte uren.
De rechtbank vernietigde het eerdere besluit van het Uwv wegens onvoldoende motivering omtrent de berekening van de gekorte uren en gaf opdracht tot een nieuw besluit op bezwaar. Het Uwv nam vervolgens een nieuw besluit waarin het bezwaar deels werd gegrond verklaard en deels ongegrond, met het standpunt dat appellant redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat meer gewerkte uren op zijn uitkering zouden worden gekort.
In hoger beroep stelde appellant dat uit zijn betaalspecificaties niet duidelijk bleek dat hij teveel uitkering ontving en dat hij zijn uren correct had opgegeven. De Raad oordeelde dat het Uwv onvoldoende inzicht had gegeven in de wijze en omvang van de korting, waardoor het voor appellant niet duidelijk was dat te weinig uren waren gekort. Daarom kon het besluit tot herziening met terugwerkende kracht niet in stand blijven.
De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en vernietigde het bestreden besluit, waarbij het Uwv werd opgedragen opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het Uwv veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het besluit tot herziening van de WW-uitkering met terugwerkende kracht wordt vernietigd.
Uitspraak
07/450 WW
07/4277 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 december 2006, 06/725 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 25 juni 2008.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellant heeft gereageerd.
Bij besluit van 17 juli 2007 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Appellant heeft hierop een reactie ingezonden.
Op verzoek van de Raad heeft het Uwv stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.A.E. Bol, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M. Folkerts, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het besluit van het Uwv van 7 april 2006 en het besluit van 10 mei 2006 op het daartegen gemaakte bezwaar, betrekking hebbend op de herziening van de WW-uitkering van appellant over de periode van 1 december 2003 tot en met 11 december 2005 in verband met het opnieuw vaststellen van de op die uitkering toe te passen korting van de door hem gewerkte uren, vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv geen gemotiveerde reactie heeft gegeven op de door appellant overgelegde berekening van het aantal gewerkte uren in die periode, terwijl uit de specificatie bij het besluit van 7 april 2006 noch uit de onderliggende stukken, met name de werkbriefjes, aanstonds kan worden afgeleid dat de berekening van het Uwv de juiste is. Mitsdien berustte het besluit van 7 april 2006 voor zover het betrekking heeft op het aantal gekorte uren volgens de rechtbank niet op een voldoende inzichtelijke motivering. De rechtbank heeft aan het Uwv de opdracht gegeven om met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tevens zijn beslissingen gegeven over de proceskosten en het griffierecht.
2.2. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv op 17 juli 2007 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Daarbij heeft het Uwv het bezwaar van appellant, voor zover gericht tegen de berekening van het aantal te korten uren, gegrond verklaard. Voor zover het bezwaar is gericht tegen de herziening van de WW-uitkering met terugwerkende kracht over de periode van 1 december 2003 tot en met 11 december 2005 is het bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat aan appellant reeds bij het toekenningsbesluit van 19 januari 2004 is medegedeeld dat 7,28 uur per week in verband met werkzaamheden bij Connexxion en 3,46 uur per week in verband met werkzaamheden als zelfstandige worden vrijgelaten en dat het op basis daarvan voor hem redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de meer gewerkte uren op zijn WW-uitkering zouden worden gekort.
3. In hoger beroep heeft appellant, voor zover in dit geding van belang, aangevoerd dat het op basis van de door hem ontvangen betaalspecificaties vanaf 1 december 2003 niet duidelijk was dat hij teveel aan WW-uitkering ontving en dat hij steeds op zijn werkbriefjes op juiste wijze het aantal door hem gewerkte uren bij Connexxion en de gewerkte uren als zelfstandige heeft vermeld.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De Raad merkt het door het Uwv genomen besluit van 17 juli 2007 (hierna: bestreden besluit) aan als een besluit in de zin van artikel 6:18 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu met dit besluit niet geheel is tegemoetgekomen aan het bezwaar van appellant zal de Raad, gelet op artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 vanPro de Awb, het beroep mede gericht achten tegen het besluit van 17 juli 2007.
4.2. Nu de beoordeling van het (resterende) geschil zal plaatsvinden in het kader van het besluit van 17 juli 2007, heeft appellant geen belang meer bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak over het besluit van 10 mei 2006. Het hoger beroep zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
4.3. Het geschil in hoger beroep beperkt zich tot beantwoording van de vraag of het Uwv met terugwerkende kracht over de periode van 1 december 2003 tot en met 11 december 2005 tot herziening van de aan appellant toegekende WW-uitkering mocht overgaan, omdat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de door hem gewerkte uren op zijn uitkering zouden worden gekort.
4.4. Die vraag beantwoordt de Raad ontkennend. Weliswaar is in het toekenningsbesluit van 19 januari 2004 aangegeven dat 7,28 uur per week in verband met werkzaamheden bij Connexxion en 3,46 uur per week in verband met werkzaamheden als zelfstandige worden vrijgelaten en dat de meer gewerkte uren op zijn WW-uitkering zouden worden gekort, maar uit de betaalspecificaties die appellant over de periode van 1 december 2003 tot en met 11 december 2005 heeft ontvangen kan niet worden afgeleid op welke wijze en in welke omvang het Uwv de korting heeft toegepast. Daardoor kon het appellant niet duidelijk zijn dat en in welke mate het Uwv te weinig uren had gekort. Dit geldt temeer, zoals ook door het Uwv ter zitting is erkend, nu het in de betreffende periode van ruim twee jaar om slechts ongeveer 60 uur gaat. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het appellant niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij een te hoog bedrag aan WW-uitkering heeft ontvangen en dat het Uwv mitsdien de WW-uitkering van appellant ten onrechte met terugwerkende kracht heeft herzien.
4.5. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat het besluit van 17 juli 2007 in rechte geen stand kan houden. Dat betekent dat het beroep van appellant gegrond moet worden verklaard.
5. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 vanPro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--, wegens verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 17 juli 2007 gegrond en vernietigt dat besluit;
Draagt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 322,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 105,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.A. Reinders als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2008.