ECLI:NL:CRVB:2008:BD8510
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- B. Barentsen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling geschiktheid voor arbeid bij beëindiging Ziektewetuitkering buschauffeur
Appellant, werkzaam als buschauffeur, viel in januari 2003 uit met vermoeidheidsklachten en ontving een WW-uitkering na beëindiging van de WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. In april 2004 hervatte hij het werk voor 20 uur per week, maar viel opnieuw uit per 31 mei 2005 wegens psychische klachten en ontving een Ziektewetuitkering.
Na onderzoek door verzekeringsartsen en bezwaarartsen werd geconcludeerd dat appellant geschikt was voor zijn functie als buschauffeur voor 20 uur per week. Het UWV beëindigde daarom de Ziektewetuitkering per 14 maart 2006. De rechtbank vernietigde het besluit maar handhaafde de rechtsgevolgen, waarna appellant hoger beroep instelde.
De Raad oordeelt dat onder 'zijn arbeid' de laatst verrichte arbeid moet worden verstaan, tenzij deze kortdurend was en appellant het werk niet aankon. Aangezien appellant het werk langer dan een jaar heeft verricht en redelijk functioneerde, is hij geschikt voor zijn arbeid. De Raad bevestigt het bestreden besluit en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant wordt beëindigd omdat hij geschikt is voor zijn laatst verrichte arbeid als buschauffeur.