ECLI:NL:CRVB:2008:BD8512
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde inkomsten uit arbeid
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) sinds 1 april 2001. Het College vermoedde dat appellant werkzaamheden verrichtte voor een koeriersdienst en inkomsten genoot, wat niet was gemeld. Na onderzoek door de sociale recherche concludeerde het College dat appellant samen met een ander het bedrijf leidde en inkomsten genoot zonder dit te melden.
Het College besloot daarom de bijstand over de periode van 1 april 2001 tot 31 mei 2006 in te trekken en de kosten van bijstand terug te vorderen. De bijstand werd met ingang van 1 juni 2006 beëindigd. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde.
De Raad oordeelde dat voldoende vaststond dat appellant productieve arbeid verrichtte met economische waarde, ondanks zijn stelling dat hij onbetaald werkte om sociaal isolement te voorkomen. Appellant had de werkzaamheden niet gemeld, waardoor het College bevoegd was de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen duidelijke toestemming was gegeven. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de bijstand bevestigd.