ECLI:NL:CRVB:2008:BD8785
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- J. Brand
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van vordering wegens te hoog vastgesteld toetsingsinkomen studiefinanciering
Appellant maakte bezwaar tegen een door de IB-Groep vastgestelde vordering wegens meerinkomen over de periode januari tot en met augustus 2001 in het kader van de Wet studiefinanciering 2000. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de terugbetaling van een studiekostenvergoeding niet als negatief loon kon worden aangemerkt en dat vergoedingen voor ADV- en vakantiedagen correct waren toegerekend.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het toetsingsinkomen te hoog was vastgesteld omdat de terugbetaling van de studiekostenvergoeding niet in mindering was gebracht, mede gesteund door een verklaring van een fiscalist. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat deze argumenten een herhaling waren van eerdere bezwaren en dat er geen nieuwe feiten of inzichten waren die tot een ander oordeel konden leiden.
De Raad bevestigde dat fiscaal geaccepteerde kosten, ongeacht de bron van inkomsten, in mindering worden gebracht bij de berekening van het toetsingsinkomen en dat de terugbetaling van studiekostenvergoeding alleen als negatief loon geldt indien de oorspronkelijke uitbetaling als positief loon wordt aangemerkt, wat hier niet het geval was.
Ook werd geen strijd met het gelijkheidsbeginsel of andere beginselen van behoorlijk bestuur vastgesteld. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.