ECLI:NL:CRVB:2008:BD9360
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstandsuitkering wegens door eigen toedoen ontslag
Appellante was sinds april 2004 werkzaam bij een werkgever en kreeg op 10 december 2004 een laatste waarschuwing wegens ongeoorloofd afwezig zijn. Na een vakantie naar Curaçao keerde zij later terug dan afgesproken en werd zij op 8 februari 2005 op staande voet ontslagen omdat zij niet op tijd was verschenen en geen contact had opgenomen.
Appellante vroeg bijstand aan met ingang van haar melding bij het Centrum voor Werk en Inkomen op 24 februari 2005. Het College kende de uitkering toe maar verlaagde deze gedurende een maand met 100% omdat appellante door eigen toedoen werkloos was geworden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat zij recht had op bijstand vanaf 8 februari 2005 en dat geen sprake was van verwijtbare werkloosheid. De Raad oordeelde dat geen bijzondere omstandigheden waren die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigden en dat de verlaging terecht was opgelegd omdat het ontslag op staande voet gegrond was wegens herhaald ongeoorloofd verzuim. De Raad bevestigde het besluit en wees het verzoek tot schadevergoeding af.
Uitkomst: De verlaging van de bijstandsuitkering wegens door eigen toedoen werkloosheid wordt bevestigd.