ECLI:NL:CRVB:2008:BD9849
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering WAO-uitkering wegens onjuiste vaststelling aanvang arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als productiemedewerker bloemen, viel op 8 oktober 2002 uit wegens psychische klachten. Het UWV weigerde haar WAO-uitkering omdat zij op 19 augustus 2002, de datum van aanvang van de WAO-verzekering, reeds volledig arbeidsongeschikt zou zijn geweest. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij op 19 augustus 2002 niet arbeidsongeschikt was en dat het UWV ten onrechte die datum als aanvang van de verzekering had gehanteerd. De Raad stelde een onafhankelijke psychiater aan die concludeerde dat er onvoldoende objectieve gegevens waren om de mate van arbeidsongeschiktheid op die datum vast te stellen, hoewel er wel psychische klachten waren.
De Raad oordeelde dat het UWV ten onrechte gebruik had gemaakt van zijn bevoegdheid om arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering buiten beschouwing te laten. Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak werden vernietigd. Het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen en veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot weigering van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.