ECLI:NL:CRVB:2006:AX4595
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Weigering WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid bij aanvang dienstverband
Appellante, met een ernstige vorm van het fenomeen van Raynaud, was sinds 1999 arbeidsgehandicapt en trad in 2001 in dienst als administratief medewerkster. Diverse medische en arbeidsdeskundige rapporten werden opgesteld, waaronder van verzekeringsarts Van Deventer en arbeidsmedisch adviseur Backus. Het UWV weigerde een WAO-uitkering op grond van artikel 30, eerste lid, van de WAO, omdat werd aangenomen dat appellante bij aanvang van de verzekering volledig arbeidsongeschikt was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders. De Raad stelde dat er onvoldoende en ondubbelzinnige indicaties waren voor volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering. De medische rapporten wezen eerder op beperkingen die vooral in het koude seizoen tot uitval leidden en dat een vervoersvoorziening een oplossing kon bieden.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar moet nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen.