ECLI:NL:CRVB:2008:BE0024
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- C.P.M. van de Kerkhof
- R.P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen toekenning en intrekking WAZ-uitkering wegens medische beperkingen
Appellant, een voormalig horeca-ondernemer, vroeg een WAZ-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid sinds 19 april 2000. Na een eerste aanvraag in 2002 die buiten behandeling werd gelaten, diende hij in 2003 een nieuwe aanvraag in. Het UWV kende hem een uitkering toe vanaf 11 augustus 2002, gebaseerd op medische rapporten die beperkingen door cardiale problematiek vaststelden en een arbeidsdeskundig rapport dat een verlies aan verdiencapaciteit van 26% berekende.
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit, dat werd afgewezen en waarbij zijn uitkering per 13 maart 2005 werd ingetrokken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond voor de toekenning vanaf 11 augustus 2002, maar was onbevoegd voor het deel over intrekking. In hoger beroep stelde appellant dat de uitkering eerder had moeten ingaan en dat hij volledig arbeidsongeschikt was.
De Raad stelde vast dat de eerdere aanvraag in 2002 niet rechtsgeldig was en dat de uitkering terecht vanaf 11 augustus 2002 werd toegekend. Hoewel de medische beperkingen niet te gering waren, vond de Raad dat het UWV pas in hoger beroep de benodigde gegevens en motivering over de geschiktheid van functies had verstrekt. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit voor zover het bezwaar tegen de toekenning ongegrond werd verklaard, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit intact.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant. De medische informatie in hoger beroep gaf geen aanleiding tot een andere conclusie over de mate van arbeidsongeschiktheid.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover het bezwaar tegen de toekenning van de WAZ-uitkering ongegrond is verklaard, met in stand blijvende rechtsgevolgen.